CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Brief jonge podiumkunstenmakers aan Nederlands minister van cultuur Bussemaker

21/04/2014

Op 27 maart organiseerde Festival Cement een bijeenkomst voor jonge, talentvolle podiumkunstenmakers om gezamenlijk te komen tot een aantal aanbevelingen die minister Jet Bussemaker mee kan nemen bij het schrijven van haar cultuurbrief aan de Tweede Kamer.

Festival Cement is het podium voor de nieuwe generatie Nederlandse en Vlaamse theatermakers, choreografen en schrijvers. Tijdens het festival presenteren de makers zich aan een publiek van (inter)nationale professionals, theater- en dansliefhebbers. Een uitgebreid randprogramma voorziet in artistieke en netwerkgerichte verdieping en uitwisseling. Festival Cement wordt op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau gesubsidieerd. 

Hieronder lees je de brief die Festival Cement naar aanleiding van de bijeenkomst naar de minister stuurde.

’s-Hertogenbosch, 16 april 2014

Geachte mevrouw Bussemaker,

Op 27 maart jl. organiseerde Festival Cement[1] een bijeenkomst voor jonge, talentvolle podiumkunstenmakers om gezamenlijk te komen tot een aantal aanbevelingen die u mee kunt nemen bij het schrijven van uw cultuurbrief aan de Tweede Kamer, en dan met name op het gebied van talentontwikkeling.

Festival Cement ontving van een viertal jonge makers/collectieven pamfletten als vertrekpunt voor discussie. Tijdens de bijeenkomst zijn hete hangijzers en hiaten aan het licht gekomen en besproken. Waar de pamfletten persoonlijk en soms particulier van aard waren, zijn in het gesprek gedeelde ideeën gezocht en gevonden. Onder de aanwezigen waren regisseurs, choreografen, toneelauteurs, acteurs, dramaturgen, ondernemers en dansers. Allen aan het begin van hun carrière en zoekend naar kansen. Als faciliterend platform biedt Festival Cement u hierbij een brief en responsadres aan.

Wat nu volgt is een bericht van hen aan u, van jonge podiumkunstenaars aan de Minister van Cultuur.

Beste Minister,

U komt op korte termijn met een visiebrief over het cultuurbeleid na de huidige cultuurperiode 2013-2016. U heeft aangegeven dat talentontwikkeling u aan het hart gaat, dus we nemen aan dat u daarin ook een visie over talentontwikkeling uitwerkt. De brief gaat, kortom, over beleid waar cultureel talent van de toekomst hoe dan ook mee te maken gaan krijgen. Het is daarom dat wij, jonge en ambitieuze podiumkunstenaars, u graag willen meegeven hoe wij tegen een en ander aankijken.

Laten we een ding voorop stellen. Wij, pas afgestudeerde en beginnende theater- en dansmakers, voelen ons geen slachtoffers, ook al is er veel veranderd in het veld waarin wij onze weg moeten vinden.

Maar wij missen structuur en ruimte om in continuïteit te werken en ons als kunstenaar te ontwikkelen. De productiehuizen zijn verdwenen en de BIS-gezelschappen slagen er nog niet erg in taken op gebied van talentontwikkeling over te nemen.

Wij blijken aardig in staat om onze eigen boontjes te doppen en we zijn cultureel meer dan ondernemend. Veel van ons weten via festivals, eenmalige optredens, de nieuwe makerssubsidie bij het Fonds Podiumkunsten en/of de overgebleven productiehuizen voorstellingen te maken. De vraag is wel of dat constante zoeken naar mogelijkheden en het gebrek aan continuïteit niet ten koste gaat van de artistieke kwaliteit van onze voorstellingen. Het is lastig om tijd te vinden om over artistieke vragen na te denken als je continu bezig bent met het regelen van een nieuwe speelplek. Een andere vraag is hoe het gebrek aan begeleiding bij al die losse pitches en optredens de kwaliteit van onze artistieke ontwikkeling garandeert. Er heet inmiddels wel heel erg veel ‘talentontwikkeling’, maar op veel plekken is nauwelijks sprake van begeleiding. Wel kun je voor een appel en een ei je voorstelling komen spelen. Als je als maker op die manier van pitch, naar lab, naar experiment hobbelt, is er vooral sprake van ‘schijnontwikkeling’.

De behoefte aan structureel mentorschap is groot.

Met ons, niet over ons
Van het beleid dat er wel is, of nog gaat komen, vragen we ons af in hoeverre dat bij onze wensen aansluit. In de ontwikkeling van het beleid, gaat het vooral over ons en niet met ons, terwijl wij wel straks binnen dat beleid zullen moeten werken. De mensen die het stelsel nu inrichten hebben mogelijk een andere en onrealistische kijk op de praktijk van de podiumkunsten. Is het verstandig om ons ‘top-down’ in een structuur te willen persen waarover wij niet zelf hebben meegedacht?

Dat geldt overigens niet alleen voor talentontwikkeling. Op veel plekken lopen wij als kunstenaars aan tegen allerlei bureaucratische aspecten van het kunstbeleid. Alsof het beleid ontworpen is voor de beleidsmakers en niet voor de kunstenaars. Wij steken tijd in het begrijpen van het beleid, terwijl beleidsmakers niet altijd tijd maken om de kunstenaar voor wie dat beleid ontworpen is te begrijpen. Er ontstaan onwerkbare subsidiestructuren, die geen recht doen aan onze creatieve, hybride en flexibele praktijk. Er wordt gepraat in onderwijs- en marktjargon dat niet het onze is. Wij denken niet in termen als ‘leerdoelen’ of ‘productdiversificatie’. Kortom: beleidsmakers en kunstenaars staan te ver van elkaar af en het beleid probeert de kunst teveel in voorgevormde hokjes te duwen. Het gaat teveel om afrekenen en te weinig om artistiek vertrouwen. Kunstenaars weten nu eenmaal niet alles, voordat ze een maakproces in gaan. Jonge kunstenaars die hun signatuur aan het uitdiepen zijn, al helemaal niet. En soms mislukt iets, dat is deel van het wezen van kunst. Daarvoor zou ruimte moeten zijn in de subsidiestructuur. Zou het beleid niet meer volgend kunnen zijn naar de dagelijkse werkpraktijk, zodat ze meer ruimte en rust biedt om de kunstenaars hun werk zo goed mogelijk te laten doen? Levert dat niet gewoon betere kunst op?

Wij zijn op de hoogte van het onderzoek van Kwinkgroep in opdracht van uw Ministerie naar de kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over talentontwikkeling in de podiumkunsten en beeldende kunst. Dit lijkt ons een goede eerste stap in de richting van met ons en niet over ons. Hopelijk leidt dit ook tot een doorlopende dialoog tussen beleidsmaker en kunstenaar bij het vormgeven van nieuw beleid voor 2017-2020.

Maatwerk en eigen verantwoordelijkheid
Beperkte beleidsruimte zien we ook als het gaat om talentontwikkeling. Als gezegd probeert dat beleid ons allemaal in hetzelfde hokje te duwen. Het huidige beleid legt erg veel nadruk op ontwikkeling naar de grote zaal en – ironisch genoeg – op de overgebleven productiehuizen, waar veel makers met een nieuwe makerssubsidie van Fonds Podiumkunsten terecht komen.

Maar de ene jonge maker is de andere niet. Niet iedereen kan of wil in de grote zaal terecht komen of bij een productiehuis. Sommige makers hebben behoefte aan specifieke begeleiding, anderen aan een goede productie- of zakelijk leider. Weer anderen zoeken een luisterend oor van een subsidiegever of een gesprek met een bedrijf en iemand anders wil graag een stevig gesprek met een dramaturg over haar artistieke toekomst.

Maar iedereen heeft baat bij een vorm van mentorschap.
Op maatwerk is het systeem niet ingesteld, omdat het uitgaat van een ontwikkelingslijn die bij iedereen hetzelfde is. Hier staan beleid en behoefte lijnrecht tegenover elkaar. Wij pleiten voor talentontwikkeling, die niet uitgaat van het systeem, maar van de maker.

Ruimte en impuls
Overigens heeft niet elke maker behoefte aan alleen geld. De overheid kan ook heel veel doen zonder subsidie. Er staat genoeg bedrijfsruimte leeg om iedere jonge maker van een eigen theaterstudio te voorzien. De gemeenten van Nederland kunnen meer doen om jonge makers in hun vlakkevloertheaters te laten spelen, zonder de druk om meteen een groot publiek op de been te brengen. De overheid zou kunnen helpen om gesprekken tussen makers en bedrijfsleven op gang te brengen, want die twee velden kunnen veel aan elkaar hebben.
Een dergelijke, faciliterende vorm van talentontwikkeling met nadruk op de individuele ontwikkeling van de jonge makers doet recht aan de diversiteit van makers en behoeften en daarmee aan de diversiteit van het Nederlandse theaterlandschap.

Kunstenaar van de toekomst
Hoe het beleid er ook uit gaat zien, wij hopen dat in uw visiebrief de kunstenaars en hun werk voorop zullen staan. Maar ook dat het uitgangspunt niet de huidige status quo zal zijn, maar de vraag welke kunstenaar we in de toekomst nodig zullen hebben. Die makers zijn wij en het zou daarom fijn zijn als het beleid aansluit op waar wij behoefte aan hebben. We praten er graag nog eens met u over door.

Met een vriendelijke groet, namens de makers,

Festival Cement 2014

Leonie Clement & Andrea van Wingerden

Bron: Festival Cement

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht