CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Studiedag over kunst, economie en leiderschap

Commissie Cultureel Vlaanderen Vlaanderen - Nederland
20/09/2011

Verslag van Nederlands-Vlaamse studiedag in Utrecht

Op dinsdag 13 september opende de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht (HKU) z’n deuren voor een Nederlands-Vlaamse studiedag over de relatie tussen kunst, economie en leiderschap. In samenwerking met de Universiteit Antwerpen bood deze dag een afwisselende mix van enerzijds verslag van academisch onderzoek en anderzijds verhalen uit de praktijk.

De ochtend begon met een kickstart; het congresdiner op de voorgaande avond had het ijs tussen de deelnemers al gebroken. Het programma dat erop volgde bestond uit twee delen, die terug te vinden zijn in het verslag dat hieronder volgt. Volledige informatie over het programma en de sprekers vindt u hier.

Deel 1: Creatieve industrie in Vlaanderen en Nederland, onderzoek en ambities

Om te beginnen gaven verschillende sprekers een overzichtje van de stand van zaken. Gastheer Giep Hagoort (lector Kunst en Economie, HKU) trapte af met zijn betoog dat het onderscheid tussen enerzijds de creatieve en anderzijds de culturele sector losgelaten zou moeten worden. Door de twee te benaderen als één groot ‘creatief werkveld’ ontstaan vruchtbare nieuwe samenwerkingsverbanden. Om een concreet voorbeeld te geven: het commerciële verdienmodel van de creatieven kan de culturelen helpen op momenten om een bredere financiële basis te vinden, terwijl cultureel kapitaal zoals erfgoed een extra dimensie kan geven aan creativiteit. Het doet denken aan Jan Willem Sieburghs betoog tijdens een expertmeeting van CVN over de ontsluiting van gedigitaliseerd erfgoed. Sieburgh (voormalig zakelijk directeur Rijksmuseum) noemde toen het samenwerkingsverband tussen winkelketen HEMA en het Rijksmuseum, waarbij HEMA serviesgoed verkocht met prints die geïnspireerd waren op stukken uit het museum (zie het Verslagboek CVN Expertmeeting dd. 27 april 2011, p 5 en de bijbehorende presentatie). Voor zowel HEMA als het Rijksmuseum was deze samenwerking profijtelijk omdat het hun merk op een positieve manier versterkte. Volgens Hagoort heeft dit soort multidisciplinariteit, waarvan beide sectoren profiteren, de toekomst.

Abstracter van karakter waren de twee onderzoeken die Annick Schramme (Coördinator masteropleiding Cultuurmanagement, Universiteit Antwerpen) presenteerde, samen met haar mede-onderzoekers. Ten eerste lieten zijn zien welke factoren de bedrijfseconomische activiteit binnen de creatieve industrie stimuleren of juist belemmeren. De congresdeelnemers zagen hierin bevestigd dat basisvoorwaarden zoals opleiding, de aanwezigheid van talent en het hanteren van effectieve businessmodellen onmisbaar blijken voor een bloeiende creatieve industrie. Aan de andere kant wordt de creatieve sector van Vlaanderen, vergeleken met bijvoorbeeld de Nederlandse, enigszins geremd door de beperkte schaalgrootte.  Dit zou aanleiding kunnen zijn voor een Vlaams pleidooi voor méér Vlaams-Nederlandse samenwerking. Een tweede onderzoek dat Schramme presenteerde was van vrij experimentele aard, in een poging de symbolische waarde van de creatieve sector in Vlaanderen te laten zien. Meer informatie over beide onderzoeken vindt u in deze samenvattingen (scroll naar p 6).

Inhakend op het eerste onderzoek dat Schramme presenteerde over de economische impact van de creatieve industrie, gaf Paul Rutten (onderzoeker en adviseur, verbonden aan masteropleiding Cultuurmanagement van Universiteit Antwerpen) een keynotespeech over de creatieve industrie als producent van de ervaringseconomie. De kurk waarop deze drijft is het fenomeen van de consument die zich graag omringt met producten vanwege de ervaring en de uitstraling die ze teweeg brengen. Want zo werkt het nu eenmaal: je wil niet gewoon een telefoon, je wil een mooie en slim vormgegeven smart phone die jouw gevoel voor verfijning naar de buitenwereld weerspiegelt. Je wilt je wentelen in de bijbehorende lifestyle. Dit associatieve effect zorgt voor een impact van de creatieve industrie op de samenleving die vele malen groter is dan de economische beweging die het an sich veroorzaakt. Rutten noemde in dit kader het gedachtegoed van de bekende socioloog Richard Florida die, met veel navolging, de creatieve klasse tot de motor van de stedelijke economie doopte. Het is als een steentje dat in het water valt en een ontelbaar aantal kringen van steeds grotere omtrek creëert, zo blijkt ook uit de modellen van Rutten.

Deel 2: Leiderschap in creatieve culturele organisaties, dilemma’s en perspectieven

Na een ochtend gevuld met verslag van academisch onderzoek, besprong Steven De Waal (founder en executive partner van denktank Public SPACE Foundation) het podium met een opvallend concrete boodschap. Hij vertelde over het begrip ‘leiderschap’, naar aanleiding van zijn verbazing dat dit begrip gereduceerd is tot slechts ‘het managen van iets’. Horen bij leiderschap niet óók zaken als ondernemerschap en vakmanschap? Waarom is dit gaandeweg naar de achtergrond verdwenen?
Juist op dit moment zijn dit een relevante vragen, zo stelt De Waal. De culturele sector in Nederland staat in veel gevallen onder financiële druk die in sommige gevallen zelfs existentieel is. Dit stelt bepaalde eisen aan het leiderschap in deze sector. Waar voorheen ‘de perfecte subsidiedirecteur’ een gewild figuur was, is er nu juist behoefte aan leiders die de connectie met de maatschappij weten te vinden.

De ogen van culturele instellingen zijn inmiddels geopend: subsidie is geen neutraal geld. Na jarenlang naar de beleidsdoelstellingen van de minister toegeschreven te hebben, blijkt achteraf dat instellingen al die tijd aan zelfcensuur deden. Hun focus is eenzijdig geworden; veel belangrijke waarden die onderdeel uitmaken van het begrip cultuur zijn naar de achtergrond verdwenen. Het is gaandeweg versmald tot concepten die uit de beleidstaal afkomstig zijn, waarvan de laatste trendy term ‘economisch rendement van kunst en cultuur’ een goed voorbeeld is.

Een belangrijke waarde die de afgelopen decennia naar de achtergrond verdwenen is, is de maatschappelijke waarde (public value) van de culturele instelling.  De ideale leider anno nu, zo stelt De Waal,  haalt juist dit element weer naar voren. Hij of zij vertegenwoordigt met zijn of haar profiel een combinatie van vakmanschap, zakelijke visie ten dienste van continuïteit en een sterk externe, maatschappelijke gerichtheid.

Op de keynote van Steven De Waal volgden twee berichtjes van kleiner onderzoek.

Onderzoeker Alain Guiette (Universiteit Antwerpen) zit momenteel in de startfase van zijn onderzoek over ‘organizational mindfulness’. Hieronder verstaat hij een uitzonderlijk hoog bewustzijn van de dynamiek in de interne organisatie en externe omgeving. Hij zal in de komende onderzoek doen naar het verband tussen dit soort bewustzijn en effectief leiderschap.

Dorian Maarse (Faculteit Kunst en Economie, HKU) deed een oriënterend onderzoek naar leiderschap in de Nederlandse culturele sector op basis van verklaringen die cultuurbazen zelf lieten optekenen in interviews door kranten en tijdschriften. Het is belangrijk om in het achterhoofd te houden dat deze leiders, vanzelfsprekend, het beeld schetsen zoals zij zichzelf graag zien en aan de buitenwereld presenteren. Dat hoeft niet per se dicht bij de werkelijkheid te liggen. Desalniettemin geeft het een interessant inzicht in verschillende stijlen van leiderschap.

De studiedag, het woord zegt het al, stond voornamelijk in het teken van academische studies en onderzoek. Toch was er aan het einde van het programma ruimte voor twee verhalen van mensen die ‘met de poten in de modder’ hebben gestaan. Deze mensen waren Freek van Duijn (doorgewinterd leider in culturele sector en nu adviseur en interim-manager) en Dirk De Corte (strategisch adviseur en verbonden aan Universiteit Antwerpen). De laatste hanteerde de stijl die veel congresgangers inmiddels van hem kennen, en liet het publiek van hun rugleuningen naar voren veren om te luisteren naar zijn wervelende en met anekdotes doorspekte verhaal. Vanuit zijn eigen ervaring sprak hij over de verschillende leiderschapsstijlen die hij bespeurde onder de zakelijke en artistieke leiders waarmee hij samenwerkte in, onder meer, zijn tijd als directeur van stadstheater NTGent.

Sappig als geheimpjes die eigenlijk niet verteld hadden mogen worden, vertelde De Corte over de discrepantie tussen de manier waarop cultuurleiders zichzelf zien en presenteren, en de manier waarop medewerkers en de buitenwereld dat ervaren. In die zin sloot het aan op het oriënterende onderzoek van Dorian Maarse. De Corte wist het zelf in één quote samen te vatten: “Iets zeggen is overleggen”. Oftewel, het was De Cortes ervaring dat hij van democratische principes niet veel hoefde te verwachten in de tijd dat hij actief was in de professionele theatersector. Veel artistiek leiders zijn zó gepassioneerd over hun eigen ideeën dat de ruimte voor inbreng van anderen praktisch nihil is. Er is bovendien een legitimatie voor te vinden: deze leiders zijn dermate uniek dat zij op zichzelf het artistieke imago en de bijbehorende kwaliteitsgarantie van de betreffende culturele instelling vertegenwoordigen. De leider is, zo gezegd, het belangrijkste kapitaal van de instelling. Hoe De Corte daarmee omging? Het boek Aligning The Stars was nooit ver weg. Het hielp hem zijn positie te bepalen ten opzichte van de dominant aanwezige artistiek leiders. De Corte vatte dit als volgt samen: ‘Zij namen de belangrijke beslissingen. Maar ik bepaalde wat belangrijk was.’ Gebracht met een flinke dosis humor en energie  vertelde De Corte een verhaal dat voor velen herkenbaar zal zijn, en in dat geval ongetwijfeld een grote bron van inspiratie. Of misschien zelfs troost.

Het programma van deze studiedag over leiderschap, kunst en economie gaf een overzicht van het onderzoek dat op dit moment loopt. De sprekers gooiden genoeg balletjes op voor toekomstig onderzoek. Welke zijn geschikt voor de onderzoeksagenda van de nabije toekomst?

De noodzaak van een connectie tussen de culturele sector en z’n leiders met de maatschappij werd door verschillende sprekers genoemd. Onderzoek naar mogelijke bindmiddelen zou kunnen bijdragen aan de concretisering. Het slotpanel deed al direct een suggestie en noemde de‘maatschappelijke kosten-baten analyse’. In zo’n analyse worden sociale, maar ook culturele effecten gewogen om de haalbaarheid van een publiek of groot privaat project vast te stellen. Dit zou de maatschappelijke aandacht voor cultuur vergroten en, de andere kant op geredeneerd, de culturele sector van een steviger positie in het debat voorzien.

Een tweede belangrijk punt dat de afgelopen maanden op bijna ieder congres aan bod gekomen is, en ook op het slot van deze studiedag expliciet genoemd werd, is aandacht voor business- ofwel verdienmodellen. Giep Hagoort opende de dag met zijn betoog om het onderscheid tussen de culturele en creatieve sectoren te laten vallen, en het vanaf nu te beschouwen als één groot creatief werkveld. De twee werelden verschillen immers steeds minder van elkaar; om naar elkaars verdienmodel te kijken ligt dan ook voor de hand. Vanuit Nederlands perspectief, met een overheid die op dit moment sterk bezuinigt op publiek budget voor kunst en cultuur, lijkt het misschien alsof alleen de culturele sector hier vragende partij is. Het panel bepleit dan ook om onderzoek te doen naar mogelijkheden voor tweerichtingsverkeer, door een poging te doen om ook de zachte waarden van kunst en cultuur in een verdienmodel te vangen.

Het derde hoofdpunt dat het panel naar voren bracht in z’n reflectie op de studiedag, was de kennis over interdisciplinariteit. Naast mono- en multidisciplinariteit is de laatste tijd de nieuwe ‘inter’-vorm’ opgedoken.  Het is niet de combinatie van disciplines die we al kenden en benoemden met de term ‘multi’. Het is het nieuwe concept waarin elementen uit verschillende disciplines, die voorheen gescheiden opereerden, zich samenvoegen tot een nieuwe mengvorm. Dit is het gevolg van verregaande grensvervaging, zoals Hagoort die vurig bepleit ten aanzien van de creatieve en culturele sectoren. Op het moment dat de twee sectoren elementen van elkaars disciplines incorporeren, ontstaat een nieuwe mengvorm van creatief en cultureel. Dan dringt zich de vraag op: hoe benader en duid je dit als onderzoeker? Onderzoek is tot nu toe amper verricht. Sterker nog: de methoden en instrumenten voor onderzoek naar deze nieuwe mengvormen ontbreken vooralsnog, zo stelt het panel. Onderzoek naar de benadering van interdisciplinaire vormen is dan ook heel welkom.

Na een slotwoord van dagvoorzitter Guido De Brabander gingen de deelnemers huiswaarts met koffertjes vol dikke pakken nieuwe ideeën onder de arm. Van eventuele vervolgen, in de vorm van studiedagen of onderzoek, houden we u graag vanaf deze blog op de hoogte!

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht