CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Samenwerking ontstaat uit ideeën.

22/12/2011

Samenwerking ontstaat uit ideeën.
Verslag van twee debatten in de Brakke Grond

Begin december 2011, twee dagen nadat Nederland en Vlaanderen bij monde van ministers-presidenten Mark Rutte en Kris Peeters hadden aangekondigd samen te willen optreden als de Lage Landen, vond in Amsterdam een Vlaams-Nederlandse debatmiddag plaats. Dat gebeurde op initiatief van vijf organisaties met een lange traditie in grensoverschrijdende samenwerking. De Nederlandse Taalunie, het Vlaams-Nederlands huis deBuren, Ons Erfdeel vzw, Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond en de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland bogen zich over deze vraag: wat hebben Nederland en Vlaanderen te winnen bij een betere samenwerking op het vlak van media en hoger onderwijs?

De bovenstaande kwestie was voer voor twee debatten. Het gesprek over hoger onderwijs kwam eerst en werd aangevuurd door twee pittige stellingen: “Marktwerking stimuleert excellentie” en “Hoger collegegeld zorgt voor beter onderwijs”. Geert Buelens (hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht) liet zich erg sceptisch uit over marktwerking, zoals je kunt lezen in zijn speech die op de vorige pagina’s is afgedrukt. “Wie beweert de toverformule gevonden te hebben in de vrije markt verdient het grootste wantrouwen. Het gevolg zie je immers nu al volop in de VS: daar heb je prachtige elite-universiteiten naast massa-educatiefabrieken”, stelde Buelens.

Arjen van Witteloostuijn (hoogleraar Economie aan de universiteiten van Antwerpen, Tilburg en Utrecht) bleek in zijn keynote speech de tegenovergestelde mening toegedaan te zijn. Vanuit zijn analyse dat Nederland, Vlaanderen en zelfs Europa geen excellente universiteiten hebben, terwijl die in de concurrerende kenniseconomie van de eenentwintigste eeuw juist broodnodig zijn, pleitte hij voor een versterking van de marktwerking. Dat betekent volgens hem dat de overheid haar greep op het hoger onderwijs moet loslaten. “De overdaad aan bemoeizucht en regelgeving voorziet universiteiten van een keurslijf dat concurreren met vooral de Amerikaanse voorhoede bij voorbaat tot een hopeloze exercitie maakt”, zei Van Witteloostuijn. Zijn voorstel luidde: laat universiteiten aan de aanbodzijde meer concurreren en laat aan de vraagzijde studenten vrijer op zoek gaan naar de studie die het best bij hen past. Hoe? Met een intelligent beurzen- en leenstelsel. Later in het gesprek preciseerde Van Witteloostuijn wat hij daaronder verstaat: wie zijn studies niet kan betalen, krijgt een beurs; wie genoeg geld heeft, krijgt geen beurs of kan een lening aangaan. Hij verwees, net als Buelens, naar het Engelse systeem, waarbij je de lening pas moet terugbetalen als je bovenmodaal verdient.

Het onderwijsdebat ging hierna dieper in op een aantal aspecten van de marktwerking, onder meer het toenemende gebruik van Engels als doceertaal. Michiel Horsten, voorzitter van de Vlaamse Vereniging van Studenten, noemde het dwaas dat aan de Universiteit Antwerpen elke faculteit één vak in het Engels moet geven. “Dan gaat het niet om efficiëntie, maar krijg je Engels om het Engels.” Horsten zag ook brood in ruimte voor andere doceertalen dan alleen Engels. Hoogleraar in Utrecht Tineke Bahlmann (ook voorzitter van het Nederlandse Commissariaat voor de Media) wilde toch wijzen op het voordeel van Engels in bedrijfseconomische opleidingen: “Zo ontstaat over alle culturen heen een uitwisseling.” Ook Van Witteloostuijn toonde zich een voorstander van opleidingen in het Engels: zo kun je buitenlandse staf én studenten aantrekken en je concurrentiepositie verbeteren. Buelens was niet tegen het Engels, zeker niet in de research masters, maar merkte toch ook een kwaliteitsdaling wanneer niet-Engelstaligen in het Engels lesgeven: “Ikzelf schat dat ik in het Engels op 70 procent van mijn normale kunnen functioneer.” Hij noemde de Nederlandse omgang met taal “zeer instrumenteel” en gaf een voorbeeld waaruit blijkt dat de druk om alles in het Engels te doen leidt tot slecht taalgebruik: “Can you underbuild it?” Waarop Horsten opmerkte dat er moet worden geïnvesteerd in een taalopleiding voor docenten en studenten.

Investeren? Dan spreken we over geld – en net dat ontbreekt vaak als het over onderwijs gaat. Is samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen hier geen oplossing, opperde moderator Fien Sabbe. Buelens twijfelde sterk: voorstellen tot gemeenschappelijke opleidingen botsen al te vaak op verschillende regelgevingen. Van Witteloostuijn was meer voluntaristisch. Tilburg en Leuven liggen niet zo ver uit elkaar, zei hij, die kunnen veel samen doen. Om dan zijn centrale stelling te herhalen: “Universiteiten moeten vrijer gelaten worden, los van decreten.” Concreet moeten ze streven naar “een meer gedifferentieerd aanbod van duurdere en goedkopere opleidingen”, iets waar Horsten niet in geloofde. Volgens hem moeten zoveel mogelijk studenten naar het hoger onderwijs, al moeten ze wel op de juiste plaats terechtkomen. Naast de universiteiten wil Horsten ook de hogescholen en het hoger beroepsonderwijs opgewaardeerd zien. Daarmee zat hij op dezelfde golflengte als Buelens, die meende dat er te veel studenten op de universiteit zitten. “Die mag wat afgewaardeerd worden”, zei hij, “nu wordt ze te hoog gewaardeerd, en dat creëert een bubble.”

Voor Bahlmann was de grootste zorg de kwaliteit van het hoger onderwijs, waar jonge mensen in de bloei van hun leven zijn. En kwaliteit, daar bleken alle gesprekspartners het over eens, is gebaat bij de kleinschaligheid van opleidingen. Iets wat in Nederland nog veel meer de norm is dan in Vlaanderen met zijn massaopleidingen, waar hoorcolleges plaatsvinden in overvolle aula’s. Buelens gaf het voorbeeld van Gent, waar sinds kort een aula staat met een capaciteit van duizend personen. Hij noemde Vlaanderen, met zijn grote instroom van studenten, “sociaal op het niveau van de ingang”, maar hekelde de “grote uitval door een gebrek aan begeleiding”. Maar begeleiding kost, opnieuw, geld – dat er niet is. Bahlmann wees in dat verband op de tijd en geld opslorpende bureaucratie in het hoger onderwijs, Van Witteloostuijn ging nog een stap verder door te zeggen dat “er veel gesneden kan worden in de overhead” en dat je gerust met kleinere groepen studenten kunt werken “als je de beschikbare middelen een beetje slimmer verdeelt”.

Op het einde van het debat kwam het voorturend op de achtergrond spelende thema van de internationalisering, dat Van Witteloostuijn had aangegrepen om te pleiten voor meer marktwerking, opnieuw naar boven. Buelens was niet mals en noemde de internationalisering ronduit “nefast”. Hij doceerde zelf aan de hoog aangeschreven universiteit van Berkeley, maar meent dat het niveau van neerlandistiek in het eigen taalgebied hoger is. Hij vindt het des te pijnlijker dat een vacature voor neerlandicus in Antwerpen “in het kader van de internationalisering” niet werd ingevuld door de beste kandidaat uit de Lage Landen, maar door een Hongaar die in Berkeley had gestudeerd. Ook Horsten krijgt naar eigen zeggen “grijs haar” van de internationalisering omdat die leidt tot een hyperconcurrerende situatie, waarbij er te veel nadruk ligt op onderzoek. Daardoor verslechtert het onderwijs, die andere kerntaak van de universiteit, waarna de nieuw opgeleide onderzoekers weer minder goed presteren. Hij legt de verantwoordelijkheid hiervoor bij de overheid, die te gemakkelijk meestapt in het internationaliseringsverhaal.

Een opmerking van een man in het publiek tijdens de vragenronde verwoordde nog eens duidelijk het enige punt waarover in dit debat consensus was: “We moeten af van de zesjescultuur.” Meer pieken en minder dalen in het universitaire landschap, dus. Maar over de fundamentele vraag of dit kan worden verkregen door meer marktwerking en minder overheidsinterventie – of juist het omgekeerde bleven de meningen uiterst verdeeld.

Het debat over media behandelde een minder ideologisch beladen kwestie dan het gesprek over onderwijs. De stelling die het gesprek moest aanvuren, luidde heel concreet: “Fuseren om te overleven. Naar één publieke Vlaams-Nederlandse zender voor cultuur en informatie.” Joop Daalmeijer (gewezen directeur van de Nederlandse Programma Stichting en haar opvolger NTR) toonde zich daarvan in zijn keynote speech een grote voorstander. Hij noemt cultuur een kerntaak van de publieke omroep: “Met dit genre onderscheidt ze zich van de commerciëlen.” De zelfverklaarde “reserve-Vlaming” Daalmeijer, sinds kort voorzitter van de Nederlandse Raad voor Cultuur, had een voorstel bij zich: het Nederlandse digitale cultuurkanaal Cultura moet worden omgebouwd tot een Vlaams-Nederlandse cultuurzender die aan beide zijden van de grens verplicht een plaats krijgt op de kabel. “Dan kan Nederland meegenieten van die mooie dramaserie van Tom Lanoye die de VRT uitzond. En Vlaanderen kijkt mee naar het Concertgebouworkest.” Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, met slimme herhalingen, onder meer uit het rijke archief, en met ruimte voor specifiek Nederlandse of Vlaamse programmering.

Dat klonk ambitieus en Hans-Maarten van den Brink (directeur van het Mediafonds Nederland) temperde in zijn keynote speech dan ook vooral Daalmeijers streven naar een apart tv-kanaal met een gemengde Vlaams-Nederlandse redactie. Niet alleen heerst er budgettaire armoede, ook stelde hij vast dat het aantal verbindingspunten tussen Vlaanderen en Nederland kleiner is geworden. Daarom zag hij veel meer in projecten die on demand werken en die aan beide zijden van de grens kijkers kunnen boeien. Bijvoorbeeld: premies voor programma’s over cultuurmakers die in de twee landen actief zijn, of programma’s over theater, dat is toch één Vlaams-Nederlandse markt. Van den Brink pleitte ook voor radio als geschikt medium voor samenwerking. “Dat is handzamer, goedkoper en makkelijker dan een nieuw tv-kanaal.” En omdat vooral taal Nederlanders en Vlamingen bindt, dacht hij ook aan een fonds voor gesproken woord: poëzie, luisterspelen, kortverhalen. Daar bestaat opnieuw een markt voor en het is vrij snel van de grond te krijgen, aldus Van den Brink. Themakanalen op televisie noemde hij de fax van nu: best handig en ze kunnen nog wel even mee, maar je moet er niet te veel meer in investeren.

In het debat sloten de twee andere gesprekspartners zich eerder aan bij Van den Brink. Zo dacht Chantal Pattyn (nethoofd van de Vlaamse klassieke radiozender Klara) niet alleen dat een Vlaams-Nederlands themakanaal politiek onhaalbaar is, maar meende ze ook dat niemand erop zit te wachten. Zij geloofde meer in een projectmatige samenwerking, digitaal en on demand. Caroline Pauwels (hoogleraar Communicatiewetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel) vond een televisiekanaal evenmin het beste idee. Rekening houdend met het klimaat van besparingen en het huidige overaanbod verwees zij naar de nieuwe beheersovereenkomst van de VRT, die een derde net voorziet. Misschien kan Canvas uitgroeien tot een volwaardige cultuurzender, en dan is het interessant om formats te bedenken die geschikt zijn voor Nederland en Vlaanderen. Een andere mogelijkheid voor Pauwels was het Frans-Duitse zender ARTE, “een sterk merk, waarop Vlaanderen en Nederland zich zouden kunnen enten”. Pattyn beaamde dat en haalde ook nog de European Broadcasting Union aan, een samenwerkingsverband dat haar zeer dierbaar is omdat ze zo Europese opnamen van klassieke concerten kan uitzenden nu er stevig in haar budget voor concertregistraties is geknipt.

Pauwels en Pattyn vreesden ook dat een aparte televisiezender uit de tijd is. Voor wie is zo’n cultuurkanaal bedoeld, vroeg Pattyn zich af. “Vijfenzestigplussers? Doe dan maar op tv. Maar jongeren bereik je zo niet meer.” Pauwels: “Heb je nog wel een kanaal nodig in een tijd waarin cultuurhuizen fragmenten uit hun voorstellingen en debatten online zetten, waarin uitgeverijen filmpjes maken?” Een nieuw Vlaams-Nederlands cultuurplatform zou volgens haar ook met die cultuurhuizen moeten spreken, en de openbare omroepen zouden dan voor de technische knowhow kunnen zorgen. Pattyn bevestigde dat beeld van een sterk veranderd en versnipperd medialandschap. “De Brusselse concertzaal Ancienne Belgique heeft de radio niet meer nodig, die neemt alles zelf op. En bij het Brusselse literatuurhuis PassaPorta staat een dag na een lezing alles online.” Van den Brink was het hier niet helemaal mee eens. Hoe meer aanbod, hoe meer behoefte aan een gids, stelde hij. Hij blijft geloven in de functie van een redactie en in onafhankelijke journalistiek, met publieke steun.

In het debat rezen ook vragen bij de haalbaarheid van Vlaams-Nederlandse samenwerking. Zo vond Van den Brink zijn eigen idee om de Nederlandse en Vlaamse subsidiekanalen over de grenzen te laten gaan zelf meteen al niet zo realistisch. Pattyn herinnerde zich dan weer een overleg van Klara met de Nederlandse tegenhanger Radio 4, en daar was iemand van de AVRO, van de TROS, de VARA… En die bleken elkaar nauwelijks te kennen. “Hoe zet je een grensoverschrijdende samenwerking op touw als je in Nederland al zo’n complex omroepenbestel hebt?” Op het vlak van digitalisering en beschikbaarheid van archiefmateriaal heeft Nederland een voorsprong op Vlaanderen, maar daar speelt vooral de kwestie van de rechten op beeld- en geluidsopnamen. Nu is het nog vaak zo dat wat in Nederland online te bekijken is in Vlaanderen geblokkeerd wordt, en omgekeerd. Pauwels pleitte hier voor een soepeler omgang met rechten, anders wordt het nooit wat.

Tot slot konden Pauwels en Pattyn zich moeilijk vinden in het idee van “fuseren om te overleven”. Samenwerken gebeurt volgens hen beter niet op basis van besparingen, maar op basis van een gemeenschappelijk project, “een heilig geloof” zelfs in de woorden van Pattyn. Dat is wellicht ook de enig mogelijke conclusie uit dit wat diffuse mediadebat: samenwerking ontstaat uit ideeën, zoals de afscheidnemende Brakke Grond-directeur Leen Laconte zei in haar slotwoord. En gelukkig hebben we er daarvan in Amsterdam wel wat gehoord.

Pieter Coupé

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht