CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Marktwerking in het hoger onderwijs (door Arjen van Witteloostuijn)

30/11/2011

Onderstaand essay is een bijdrage aan het debat over Vlaams-Nederlandse samenwerking in het onderwijs, dat op 2 december plaatsvindt in De Brakke Grond te Amsterdam.

Door Arjen van Witteloostuijn

Marktwerking in het hoger onderwijs bestaat allang. Dat ontkennen is struisvogelpolitiek. Robbert Dijkgraaf – de KNAW-president die bekend is van De wereld draait door en Pauw & Witteman – vertrekt naar Princeton. Princeton biedt veel betere faciliteiten en veel hogere salarissen dan welke universiteit in Europa, België of Nederland dan ook. Dat is marktwerking. Jong Chinees toptalent gaat eerst op zoek naar een studieplek op een Amerikaanse (top)universiteit. Alleen als dat niet lukt, wordt mogelijk het vizier op Europa en Nederland gericht – bij gebrek aan beter. Ook dat is marktwerking.

Op internationale ranglijsten van universiteiten doet Nederland het niet slecht. Volgens de prestigieuze Times Higher Education World University Rankings 2011-2012 staan twaalf Nederlandse universiteiten in de mondiale top-200. Dat brengt het kleine Nederland op de derde plaats achter de veel grotere Verenigde Staten en het flink grotere Verenigd Koninkrijk. Alle Nederlandse universiteiten zijn echter pas buiten de top-40 terug te vinden. Helaas weten Belgische universiteiten zich niet of nauwelijks een positie op dergelijke lijstjes te verwerven. En dat geldt niet alleen voor België. De Europese achterstand op de Amerikaanse top is enorm. Alleen Cambridge en Oxford weten zich – met moeite – in die top te handhaven. Ook Zwitserland houdt het hoofd boven water, en hier en daar doet een Scandinavische universiteit het heel behoorlijk. Voor het overige is vooral het huilen met de pet op. Oostelijk en zuidelijk Europa zijn – grosso modo – een universitaire woestenij, met verstolde en achterhaalde landen-specifieke structuren die getuigen van provinciale kortzichtigheid.

Dat is zorgwekkend. In de 21ste eeuw van de kenniseconomie speelt het hoger onderwijs een sleutelrol. Zonder excellent hoger onderwijs wordt de mondiale concurrentieslag verloren. In Azië wordt met volle kracht gewerkt aan de verbetering van het hoger onderwijs. China gaat met grote stappen vooruit. In een dergelijke wereld is stilstand achteruitgang. En in Europa is het nog erger: bijna overal wordt het hoger onderwijs gezien als een bron van bezuinigingen. Ook in België en Nederland zakt de financiering per student jaar in jaar uit verder in. Dat proces van sluipende afkalving is inmiddels decennia onderweg. Op een continent dat te kampen heeft met vergrijzing en verstarring, is een deltaplan voor het hoger onderwijs broodnodig. Het hart van een dergelijk deltaplan moet een drastische versterking van marktwerking zijn, naast een substantiële verhoging van de investeringen in het hoger onderwijs.

Versterking van marktwerking impliceert dat overheden universiteiten  moeten loslaten. De overdaad aan bemoeizucht en regelgeving voorziet universiteiten van een keurslijf dat concurreren met vooral de Amerikaanse voorhoede bij voorbaat tot een hopeloze exercitie maakt. De slag is verloren voordat-ie is begonnen. De universiteiten beschikken simpelweg niet over de vrijheden die nodig zijn om de Robbert Dijkgraafen en Chinese toptalenten van deze wereld een tegenbod te kunnen doen dat tot het besluit leidt in Europa te blijven of naar Europa af te reizen. Europese universiteiten moeten opereren in een centralistische regelkooi die overeenkomsten vertoont met een Stalinistische planeconomie. Dat die niet werkt, heeft de geschiedenis overtuigend aangetoond.

De concurrentieslag om het mondiale toptalent vindt plaats op twee markten: die voor stafleden en die voor studenten. De ene markt is onlosmakelijk verbonden met de andere. Op beide markten zijn Europese universiteiten zwakke concurrenten die het afleggen tegen Noord-Amerikaanse en – in toenemende mate – Oost-Aziatische tegenvoeters. Daarom zijn op beide terreinen omvangrijke hervormingen onvermijdelijk. De markt voor opleidingen moet worden open gebroken. Universiteiten moeten studies naar eigen goeddunken kunnen openen, veranderen en sluiten. Studiecapaciteiten en collegegelden moeten worden vrijgegeven. Dat leidt tot de gewenste differentiatie en innovativiteit, met universiteiten die investeren in activiteiten waarmee zij de concurrentieslag hopen te overleven. Universiteiten die uitblinken, worden rijker. Zij bouwen aan de excellentie van de toekomst. Zij kunnen toptalent aan zich binden – stafleden en studenten. Zodoende ontstaat vanzelf een hoger-onderwijslandschap met de noodzakelijke pieken, die wereldtalent naar Europa kunnen halen en aan Europa kunnen binden.

Natuurlijk is Europa geen Verenigde Staten. Vooral in de sfeer van de toegankelijkheid van universiteiten kan en moet Europa zich onderscheiden. Een intelligent beurzen- en leenstelsel zal ervoor garant moeten staan dat elk studententalent, arm of rijk, zich een studie aan zo’n nieuwe topuniversiteit kan veroorloven. Maar goedkoop is duurkoop. Dure en excellente opleidingen vormen een tweesnijdend zwaard. Zij genereren de inkomsten die nodig zijn om op de wereldmarkt met armslag te kunnen concurreren. En zij leiden de toptalenten op zonder wie die succesvolle kenniseconomie een illusie is en blijft.

Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de universiteiten van Antwerpen, Tilburg en Utrecht.

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht