CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Lezing Hendrik Vuye: Waarom werd België niet tweetalig

12/05/2011

Waarom werd België niet tweetalig ?
Hendrik Vuye
Gewoon hoogleraar Staatsrecht Universiteit Namen

Lezing voor het ANV, gehouden op 12 mei 2011, te Antwerpen

Willem I: van taaldwang naar taalfaciliteiten
De taalpolitiek van Willem I wordt steevast omschreven als taaldwang. Hiermee verwijst men naar het KB van 15 september 1819, uitgevaardigd op voorstel van Minister van Justitie C.F. Van Maanen. Artikel 5 van dit besluit bepaalde dat in de provincies Limburg, Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen het Nederlands de bestuurs- en gerechtstaal zou worden vanaf 1 januari 1823. Een KB van 16 oktober 1822 maakte dit besluit eveneens toepasselijk op de arrondissementen Brussel en Leuven. Brussel was toen nog een Vlaamse stad, met slechts 25 % Franstaligen.

Dit taalbesluit kende vele tegenstanders. De clerus dacht dat met het Nederlands, ook het calvinisme zou doorsijpelen. “Ce que le clergé fit par conviction catholique, la bourgeoisie le fit par intérêt”, schrijft Henri Pirenne. Het taalbesluit “menaçait trop de gens en place ou en quête de places”. “Il eût suffi … d’instituer la liberté des langues et de laisser faire le temps”. Maar, is dit wel zo?

Na het ontstaan van de Unie der opposities in 1828 deed Willem I verregaande toegevingen. Besluiten van 28 augustus 1829 en van 4 juni 1830 lieten toe om ook in de Vlaamse provincies het Frans te gebruiken als bestuurs- en gerechtstaal. In de Waalse provincies bleef het Frans echter de officiële taal. Wallonië was taalhomogeen, terwijl er in Vlaanderen faciliteiten werden toegekend aan de Franstaligen. Kort nadien was er de Belgische revolutie.
Taalvrijheid, of toch niet ?
De Belgische grondwetgever van 1831 koos voor taalvrijheid. “L’emploi des langues usitées en Belgique est facultatif; il ne peut être réglé que par la loi, et seulement pour les actes de l’autorité publique et pour les affaires judiciaires” (art. 23 Grondwet 1831, op heden art. 30).

Taalvrijheid was echter geen synoniem van taalgelijkwaardigheid. De Grondwet die de taalvrijheid proclameerde werd uitsluitend in het Frans afgekondigd. Pas in 1967 werd de Grondwet in het Nederlands uitgevaardigd. Een besluit van het Voorlopig Bewind van 16 november 1830 en de wet van 19 september 1831bepaalden dat alleen de in het Frans gepubliceerde wetteksten rechtskracht hebben. Besluiten van 16 en 27 oktober 1830 stelden dat de taal van het militair bevel het Frans was. Wel mocht men, op grond van het besluit van 16 november 1830, in het Nederlands pleiten, maar dan enkel indien alle betrokkenen -rechters, advocaten en openbaar ministerie- deze taal machtig waren.

Dit laatste besluit werd echter afgeschaft door de Grondwet van 1831. Taalvrijheid: de vrijheid om geen Nederlands te begrijpen De zaak Coucke en Goethals spreekt tot de verbeelding. Beiden werden in 1860 ter dood veroordeeld door het Hof van Assisen van Bergen. Ze werden beschuldigd van roofmoord. Het geding verliep volledig in het Frans. Coucke en Goethals werden vervolgens onthoofd te Charleroi. Dit alles zonder dat zij hun proces hadden begrepen, daar ze het Frans onvoldoende machtig waren. In 1862 zou voor hetzelfde Hof van Assisen alvast blijken dat zij niet de hoofdschuldigen waren van de roofmoord.

In 1844 wenste Domien Sleeckx te Brussel -toen nog een stad met een meerderheid Nederlandstaligen- aangifte te doen in het Nederlands van de geboorte van zijn kind. De 2 ambtenaar van de burgerlijke stand weigerde dit. De rechtbank te Brussel oordeelde dat Sleeckx het recht had de aangifte in het Nederlands te doen. Maar de taalvrijheid gold ook voor de ambtenaar die het recht had om het Nederlands niet te begrijpen en de akte op te stellen in het Frans.

Taalvrijheid: de verplichting om Frans te spreken
Toen de Antwerpse diamantair Jacob Karsman werd vervolgd, wilden zijn advocaten in het Nederlands pleiten. In 1863 oordeelt het Hof te Brussel: “qu’il ne peut appartenir au plaideur d’exiger l’emploi d’un idiome étranger au plus grand nombre des magistrats composant le siège”.

Tien jaar later komt een gelijkaardige zaak voor het hoogste rechtscollege. Jozef Schoep wenste te Sint-Jans-Molenbeek aangifte te doen van de geboorte van zijn kind in het Nederlands. Ook hier weigerde de ambtenaar. Voor het Hof van Cassatie wensten de advocaten van Schoep in het Nederlands te pleiten. Bij arrest van 12 mei 1873 werd dit verzoek afgewezen: “… il faut que l’avocat parle, devant la juridiction qu’il a mission d’éclairer, la langue que comprennent tous ceux qui sont préposés à cette jurisdictiën”.

Op 19 mei kreeg Schoep ook ongelijk wat de aangifte betreft. Ambtenaren hebben de vrijheid om geen Nederlands te begrijpen. In de zaken Peerlinck van 5 april 1892 en Josson van 3 mei 1892 is het Hof van Cassatie nog explicieter. De vrijheid van de magistraat om geen Nederlands te begrijpen “est incompatible avec le libre choix, de la part de l’avocat, de l’une de ces langues; qu’il implique, au contraire, l’obligation pour lui de plaider dans celle que comprennent tous les magistrats composant le siège”. Of hoe de vrijheid van de magistraat verwordt tot taaldwang voor de advocaat.

Geldt taalvrijheid ook voor Vlamingen?
In 1895 beveelt te Antwerpen een officier van de burgerwacht om de rangen te nummeren. “Vier” antwoordt Emmanuel De Bom wanneer hij aan de beurt is. De officier geeft het bevel in het Frans te antwoorden. Tot tweemaal toe herhaalt De Bom “vier”. Hij bekocht zijn overmoed daar de tuchtraad hem veroordeelde wegens insubordinatie. Ook deze zaak kwam voor het Hof van Cassatie. Nu het Hof reeds tot driemaal toe (arresten Schoep, Peerlinck en Josson) beslist had dat taalvrijheid ook de vrijheid impliceert om een bepaalde taal niet te spreken, had het Hof de veroordeling moeten verbreken. In een arrest van 8 augustus 1895 beslist het Hof echter dat de taalvrijheid “est étrangère aux devoirs qui au point de vue de l’usage de la langue peurend être imposés lorsque, engagés dans les liens hiérarchiques de l’autorité publique, lis sont tenus … à l’obéissance envers leurs supér ieurs”.

Wie zich op de taalvrijheid beriep om geen Nederlands te spreken genoot van een grondwettelijke vrijheid. Weigerde men echter Frans te spreken, dan was er sprake van insubordinatie. Voor Vlamingen gold taaldwang, voor Franstaligen taalvrijheid.

Het had anders gekund
Een andere interpretatie van de taalvrijheid was mogelijk. Zo stelde Kamerlid de Lehaye tijdens een parlementair debat omtrent de zaak Schoep: “L’emploie des langues est facultatif en Belgique, mais cette faculté existe non pour les fonctionnaires publics, mais pour les administrés”. Dit was een logische interpretatie. Het bestuur moet de taalvrijheid van de burgers waarborgen en niet omgekeerd.

Wanneer werd gevraagd om in het Nederlands te pleiten, dan kon toch een kamer worden samengesteld met magistraten die deze taal machtig zijn? Het Hof van Cassatie 3 verwierp echter dergelijk verzoek in de zaak Josson als in strijd met de regels van de behoorlijke rechtsbedeling.

Zo werd België wat het is België werd niet tweetalig omdat de taalvrijheid werd geïnterpreteerd als het absolute recht om geen Nederlands te begrijpen en als het absolute recht om overal Frans te spreken, ook in Vlaanderen. Deze taalvrijheid om Frans te spreken werd indien nodig afgedwongen door taaldwang. Zo bestond er een vaste rechtspraak die advocaten verplichtte in het Frans te pleiten wanneer de rechters geen Nederlands kenden.

Tegelijk bleef Wallonië echter taalhomogeen Frans. Daarom werd België niet tweetalig. Daarom waren er taalwetten nodig. En ook daarom is er nooit sprake geweest van enige Belgische natievorming.

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht