CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Joop Daalmeijer: “Cultuur houdt niet op bij de landsgrens. Eén cultuurzender voor de Lage Landen.”

19/07/2012

Een Arte (Cultuurzender) voor de lage Landen

Door Joop Daalmeijer. Geschreven voor Neerlandia/Nederlands van Nu, het tijdschrift van het Algemeen-Nederlands Verbond (www.anv.nl), 19 juli 2012

Joop Daalmeijer verdedigt de ruimte voor cultureel aanbod in de programmering van de publieke televisiezenders. Hij ziet volop mogelijkheden voor de verbetering van het publieksbereik, vooral wanneer Vlaanderen en Nederland de handen ineen zouden slaan.

Een van de kerntaken van publieke, openbare omroepen in Nederland en Vlaanderen is het maken van programma’s over cultuur, via documentaires, magazines over literatuur, praatprogramma’s of registraties van podiumkunsten. Met dit genre onderscheidt de publieke omroep zich het duidelijkst van commerciële zenders. Commerciële televisie zoekt vooral een jonger publiek, omdat reclameboodschappen (die ‘verpakt’ worden in programma’s) zich met name op die groep richten. Commercials met wasmiddelen, maandverband (ook in strings te gebruiken!), kipfilet en hippe auto’s. De zogenaamde female shoppers zijn niet bijzonder in cultuur geïnteresseerd. Wel in musical en pop, maar veel minder in programma’s met hoge cultuur. Om een programmadirecteur van een commercieel station te citeren: “niet in Kunst met een grote C”. Het is een commerciële zender niet te verwijten dat er zo weinig kunst en cultuur wordt uitgezonden. Ze hebben er het geld niet voor en dergelijke programma’s dragen niet bij aan het rendement.

Bij de publieke omroep ligt dat anders. Daar is winst maken geen doel. Van belang voor de openbare omroep is zo veel mogelijk kijkers met verschillende interesses te trekken. Niet alleen jongeren of ouderen. Niet alleen kunstliefhebbers of sportfans. Niet exclusief welk genre of welke doelgroep dan ook, wel de bevolking als geheel met zo veel mogelijk genres. Dat kan betekenen dat de publieke omroep als geheel (het totaal van alle zenders) een minder hoog marktaandeel heeft dan de commerciële. Wel levert dat een groot bereik onder de gehele bevolking op. Groter dan de commerciële omroep, omdat daar niet iedere bevolkingsgroep bediend wordt, want de focus ligt op de jonge kopers. In Vlaanderen is de situatie anders. Één (VRT) is marktleider, in marktaandelen, in absolute kijkcijfers en in bereik. De zender programmeert populair en slim, zendt wel minder kunst en cultuur uit en de commerciële concurrentie heeft nog steeds geen goed antwoord.

In Nederland was RTL jarenlang marktleider, net als VTM – in de beginjaren – in Vlaanderen. Door intelligenter te programmeren en door de drie openbare zenders beter te richten op bepaalde bevolkingsgroepen via sociaal-psychologische typeringen – die manier van programmeren hebben de Nederlanders geleerd van de Vlamingen – is de situatie nu veranderd en ligt RTL onder. Net als SBS, het Nederlandse VT4, dat heel goedkoop geprogrammeerd wordt en – zo lijkt het – geen enkele kwaliteitseis stelt aan de programmering. De overheid legde vroeger een beetje vast wat de publieke omroep zou moeten doen aan kunst en cultuur. Maar die eis was slecht geformuleerd en omroepen konden dus gemakkelijk onder de verplichting uitkomen door bijvoorbeeld Britse lolseries als cultuur aan te merken.

Cultuur in plaats van homeshopping

In Nederland is de verplichting cultuurprogrammering te verzorgen nu exclusief, maar niet uitsluitend, opgelegd aan de NTR, een taakomroep zonder leden. Die omroep koestert het genre en dat leidt tot veel culturele programma’s, zoals klassieke muziek, opera en dans. Op radio en tv, en via het web. Culturele programma’s behoren niet tot de goedkoopste. En de kijkdichtheden van bijvoorbeeld operaregistraties zijn relatief laag en ‘slimme’ onderzoekers van de Boston Consulting Group, op zoek naar besparingsmogelijkheden bij de Nederlandse publieke omroep, concludeerden al snel dat dergelijke culturele programma’s per kijker tot de duurste categorie behoren. En dus mocht dat genre wel wat minder. Deze vorm van kortzichtige bedrijfseconomische opvattingen kan tot culturele verarming bij de openbare omroep in Nederland leiden.

Hoe duur die programma’s ook zijn, ze moeten gewoon gemaakt blijven worden door de publieke omroep, omdat niemand anders het doet. Een ander argument: ook de kijkers die in dergelijke programma’s geïnteresseerd zijn (meer dan 400.000 mensen), betalen mee aan de publieke omroep en hebben dus recht op programma’s die speciaal voor hen gemaakt worden. Om meer mensen te bereiken zouden culturele programma’s herhaald moeten worden op wisselende tijden, dagen, weken en seizoenen. Mensen die geïnteresseerd zijn in cultuur, zijn namelijk veel weg, naar concerten, theater of naar de biljartclub. Altijd klaverjassen op dinsdag betekent dat je de cultuurprogramma’s van die dinsdagen niet kunt zien. Herhalingen lossen dat probleem op, bijvoorbeeld op het themakanaal Cultura24.

Maar die leuke, onderhoudende en buitengewoon goedkope zender zit helaas diep verborgen in het digitale pluspakket van de kabelfirma’s. Als de overheid de culturele taak van de openbare omroep serieus zou nemen, zou ze de kabelmaatschappijen moeten verplichten zo’n cultuurzender in het basispakket op te nemen, bijvoorbeeld op de plaats van homeshoppingkanalen, waar warm winterondergoed, frituurpannen en wrattenzalf aan de man worden gebracht. In de nieuwe media wordt het ook mogelijk om culturele programma’s op verzoek (on demand) beschikbaar te stellen. Daarmee bepaalt een kijker een avondje televisie kijken zelf. Dat hoeft niet alleen meer achter de computer, want de convergentie tussen internet en televisie zet nu echt door.

Eén cultuurzender voor Vlaanderen en Nederland

Cultuur houdt niet op bij de landsgrens. Zeker niet bij de grens tussen twee landen waar dezelfde taal wordt gesproken: Nederland en Vlaanderen. Daarom zou een zender als Cultura moeten worden omgebouwd tot een Vlaams-Nederlandse cultuurzender met verplichte doorgifte op een prominente plaats op de kabel aan beide zijden van de grens. Dan kan Nederland meegenieten van registraties van de Filharmonie van Vlaanderen, van operaopnamen uit de Munt in Brussel. Van Vlaamse documentaires en talkshows. Van die mooie dramaserie van Tom Lanoye die de VRT uitzond en die mede mogelijk werd gemaakt door subsidie van het Vlaams Audiovisueel Fonds VAF.

En Vlaanderen kijkt mee naar de Nederlandse Opera, het Concertgebouworkest of het Radio Filharmonisch Orkest. Naar het Nationale Ballet. Naar Nederlands drama, zoalsAmsterdam en vele anderen. Alles gewoon op een Vlaams-Nederlands cultuurkanaal, vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week. Met slimme herhalingen. En uiteraard met vensters voor specifieke Nederlandse en Vlaamse programmering, zoals een kunstagendarubriek, een talkshow en een magazine. Daarvoor ontkoppelen de twee landen even, om daarna weer samen verder te gaan.

Dat initiatief zou nadrukkelijk ondersteund moeten worden door een gezamenlijke culturele website van VRT en Nederlandse Publieke omroep, waarbij de gehele culturele programmacatalogus op verzoek wordt aangeboden en waarvoor geoblocking voor gebruikers in Vlaanderen en Nederland wordt opgeheven. Met kabelmaatschappijen zou afgesproken moeten worden dit on demand-aanbod ook in hoge resolutie via nieuwe betaaldiensten van kabelaars aan de consument beschikbaar te stellen.

Tegenwerping in plaats van samenwerking

Vraag is natuurlijk waarom dat initiatief niet al veel eerder heeft geleid tot actie.  Tijdens een discussie in De Brakke Grond in Amsterdam werd duidelijk dat op de eerste plaats twee werelden botsten. Een lineair cultuurkanaal, aangeboden in Nederland en Vlaanderen, zou achterhaald zijn volgens een wetenschapper uit Antwerpen, die zich had vastgebeten in nieuwe media. Of een kanaal interessant zou zijn voor kijkers, deed eigenlijk niet ter zake.
De wezenlijke vraag bleef dus onbeantwoord en weggemoffeld onder een discussie over de plaats van oude (lineaire tv) en nieuwe media (het web in volle breedte).

Daarnaast worden in een discussie over dit thema meestal tien problemen gezocht bij iedere oplossing. Positiever zou de houding zijn voor ieder probleem tien oplossingen te vinden. Het gaat dan bijvoorbeeld om auteursrechten. In Nederland geldt een ander juridisch

kader dan in Vlaanderen, dat is een feit. Maar met rechthebbenden aan beide zijden van de grens is tot op heden nooit onderhandeld. Ook zouden regeringen in Vlaanderen en Nederland weinig interesse voor dit onderwerp hebben, zo zeggen tegenstanders. Dat zou dan in ieder geval moeten leiden tot een duidelijke inhoudelijke lobby, die vooral woordvoerders in beide parlementen op het gebied van kunst, cultuur en media kan benaderen. En niet wachten, vergaderen en toch maar niks doen.

In de 18e eeuw vond de Tweede Grote Vergadering plaats van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Er werd tien maanden vergaderd over financiële problemen. Er werd niks besloten. (De zeven weken vergaderen in het Catshuis met VVD, CDA en PVV, ook zonder resultaat, stellen dus eigenlijk niks voor, als je het historisch bekijkt.) In 1728 werd een spotdicht gepubliceerd over die besluiteloosheid:

Sij drinken een glas,

/ Sij pissen een plas / En laten de saak soo

als hij was.

Tot op heden gaat het ook op voor de discussies over grensoverschrijdende televisie. Tijd voor actie.

 

Joop J. Daalmeijer is oud-bestuurder Publieke Omroep NTR en nu voorzitter Nederlandse Raad voor Cultuur

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht