CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Hoe overbruggen we de belemmeringen in de Vlaams-Nederlandse samenwerking?

31/01/2012

Op 28 januari hield het ANV zijn nieuwjaarsbijeenkomst in de Burgerzaal van het Oude Stadhuis in Middelburg. Wim van Gelder, Nederlands voorzitter van CVN, hield in ‘zijn’ Zeeland de lezing “Hoe overbruggen we de belemmeringen in de Vlaams-Nederlandse samenwerking”.

In mijn inauguratietoespraak als commissaris van de Koningin in de provincie Zeeland (nu 20 jaar geleden in 1992) gaf ik aan, dat het contact met het naburige Vlaanderen een boeiend bijkomend aspect van deze Zeeuwse functie is.

In de loop van de tijd (1992-2007) zijn de contacten (Vlaanderen–Zeeland) dan ook veelvuldig geweest.

In het kader van de Europese samenwerking: de Euregio Scheldemond.

In het kader van het grensoverschrijdende veiligheidsbeleid: vergaande samenwerking van politie en brandweer.

Calamiteiten en criminaliteit storen zich immers niet aan grenzen, dan dient de bestrijding van deze maatschappelijke ongemakken zich ook niet door de grens te laten tegenhouden. De samenwerking van Oost- en West Vlaanderen en Zeeland op dit gebied is een voorbeeld voor andere grensregio’s. Dankzij de mogelijkheden die het Benelux verdrag biedt, kan de samenwerking langs de Belgisch-Nederlandse grens voortvarender plaatsvinden, dan bijvoorbeeld langs de Duits-Nederlandse grens.

Veel grensoverschrijdende initiatieven op cultureel gebied hebben in mijn bestuursperiode plaats gevonden. Het zeer succesvolle Zeeland Nazomerfestival (enige tijd geleden uitgeroepen als het beste regionale festival in Nederland) heeft dat succes in grote mate te danken aan de samenwerking met topacteurs en regisseurs uit Vlaanderen.

Alleen maar positieve ervaringen in de relatie met Vlaanderen? Nee.

Wij zijn hier verenigd in het Oude Stadhuis van Middelburg waarin sinds 2004 de Roosevelt Academy gevestigd is. Een Liberal Arts and Siences University college dat een brede Engelstalige bachelors opleiding aanbiedt. In 2007 verstrekte de NVAO ( de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie ) de Roosevelt Academy het predicaat “Excellent”.

82% van de studenten voltooiden hun studie met succes. Dit moet u vergelijken met het Nederlands gemiddelde van 46%. De RA scoort bijna het dubbele. 95% van de afgestudeerde studenten voltooiden hun studie in 3 jaar. Het Nederlands gemiddelde is 26%.

28%van de studenten studeerden af “met lof’, 36% “cum laude” en 15% “summa cum laude”.

30% van de studenten komen vanuit de gehele wereld. Maar na al deze spectaculaire positieve feiten; een negatieve constatering. Ondanks veelsoortige wervingscampagnes in Vlaanderen hebben zich geen Vlaamse studenten bij de RA aangemeld.

Welk venijnig vooroordeel vormt hier de belemmering?

Toen we enige jaren geleden als provincie Zeeland een cursus Vlaanderen organiseerden, om Vlaanderen beter te leren kennen, werd ik daarover geïnterviewd in de Standaard. Ik stelde in dat interview dat Zeeland een brugfunctie wilde ontwikkelen tussen Vlaanderen en Nederland.

Columnist Heldring van de NRC schreef een zeer lovend stuk over dit initiatief. Maar op een punt moest hij toch met de Zeeuwse commissaris van mening verschillen, daar waar van Gelder stelde dat Zeeland ook op culinair gebied een brugfunctie wilde vervullen tussen Vlaanderen en Nederland.

Zo stelde hij: “Zolang in Vlaanderen een lunch meergangen menu omvat en in Nederland een lunch twee broodjes kaas en een glaasje melk betekent, kan er van een overbrugging van deze twee culinaire culturen geen sprake zijn.”

Ik heb de heer Heldring uiteraard bedankt voor zijn complimenteuze woorden. Het culinaire meningsverschil kon maar op een manier opgelost worden; ik nodigde hem uit om in Zeeland, in het provinciehuis, in de Abdij met mij te komen dineren. De keuken was uitstekend. De Vlaamse invloed buiten kijf. Een vooroordeel (minder pijnlijk dan het vorige van de RA) is toen de wereld uit geholpen.

Dames en heren,

Die betrokkenheid met Vlaanderen heeft er zeker toe geleid dat ik in 2006 gevraagd werd om covoorzitter te worden van de commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen – Nederland. Samen met mijn goede vriend Herman Balthazar, voormalig Gouverneur van Oost-Vlaanderen.

Het heeft er ook toe geleid dat ik een aantal jaren later door de ministers van Binnenlandse Zaken en Buitenlandse Zaken van Nederland gevraagd werd om de grensoverschrijdende samenwerking met de naburige landen te bevorderen. Met België/Vlaanderen maar ook met de Duitse Lander NRW en Neder-Saksen. Het project kreeg de aanduiding GROS (Grens Overschrijdende Samenwerking) Men gaf aan mijn aanjaagfunctie de mooie titel: ‘grensmakelaar’. Nog nooit heb ik zo veel persaandacht gekregen, alleen al vanwege de benaming van een functie.

Twee zaken hebben mij in de functie van grensmakelaar gefascineerd:

De enorme potenties die grensoverschrijdende samenwerking heeft en de beperkte mate waarin die potenties benut worden. Wat uiteraard tot de vraag leidt: Waardoor worden die potenties belemmerd?

Halverwege het GROS project is wel eens overwogen om de naamgeving Grensoverschrijdende Samenwerking te wijzigen in Grenzeloze Samenwerking. De aanduiding Grensoverschrijdend accentueert immers het bestaan van de grens. Het woord grenzeloos heeft daarbij meerdere uitdagende betekenissen.

Het GROS-project had de opdracht de belemmeringen van de grens weg te nemen. Verdwijnt de grens in de grenzeloze beleving, dan verdampen de belemmeringen van de grens als vanzelf, was de gedachte.

Te simpel, daarvoor zijn die belemmeringen te complex. Naast de formele belemmeringen, zijn er vele belemmeringen van informele aard, zowel rationele als niet in het minst irrationele. Waarbij de irrationele belemmeringen niet zelden gebaseerd zijn op in het verleden, soms ver verleden, wortelende vooroordelen.

Zo zou het Vlaamse vooroordeel “Hollanders zijn niet te vertrouwen” – Ik hoop tenminste dat u het met mij eens bent dat deze kwalificatie een vooroordeel is – terug te voeren zijn naar 1585 de val van Antwerpen, waarbij de noordelijke Nederlanden de Zuidelijke Nederlanden in de steek lieten bij de strijd tegen Spanje.

Het GROS-project richt(te) zich dus op de formele belemmeringen. En dan wel de belemmeringen, die door overheden veroorzaakt zijn en dus door de overheden ongedaan kunnen worden gemaakt.

Deze benadering heeft een gevaar in zich dat grensoverschrijdende samenwerking louter als een samenwerking overheid–overheid wordt gezien. Terwijl de meerwaarde van grensoverschrijdende samenwerking veel meer ligt in de samenwerking van burgers met burgers, bedrijven met bedrijven en maatschappelijke instellingen met maatschappelijke instellingen.

Dit verschil in benadering komt o.a. tot uitdrukking in de discussie over de toekomst van het CVN (Cultureel verdrag Vlaanderen – Nederland ). De departementsambtenaren willen de taak van het CVN beperken tot de adviesfunctie aan de Nederlandse en Vlaamse overheden, terwijl de huidige commissie veel meer meerwaarde toekent aan de ontmoeting en onderlinge kennisuitwisseling van experts uit verschillende delen van het maatschappelijk middenveld. Want het gaat toch om de burgers en hun organisaties.

Want ondanks het verwijderen van de grenspalen is in de beleving van de burger de grens echter nog steeds aanwezig. In negatieve en in positieve zin.

In Baarle-Nassau/Baarle-Hertog worden de belemmeringen van de grens als hinderlijk ervaren, maar de grens met al zijn problemen is ook de dominante toeristische trekpleister. Duizenden bezoekers per jaar. Men zou de problematische grens (of beter veelvoud van grenzen) in Baarle voor geen goud willen missen.

Het overschrijden van de grens betekent nog voor velen een plezierig uitstapje. Dat blijkt bij de verschillende Duitse feestdagen. Duizenden Duitsers gaan dan een dagje buitenland doen en gaan een dagje over de grens. Men rationaliseert het buitenlandse tochtje wel met twijfelachtige voordeeltjes van lagere prijzen voor benzine, koffie en sigaretten. Maar het is de grens, die het hem doet. Dat geldt ook voor de Nederlanders die de grens naar Duitsland over gaan om zogenaamd te profiteren van de lager geprijsde alcohol of in Antwerpen Bourgondisch gaan stappen. Onschuldige motieven.

Minder onschuldig is de tocht van Nederlanders, die de grens met Vlaanderen over gaan, om zich medisch te laten behandelen. Want de Nederlanders doen dat omdat ze in Vlaanderen niet met medische wachtlijsten geconfronteerd worden en sterker nog: zij worden met meer patiëntvriendelijkheid bejegend.

De ziektekostenverzekeringen hebben er geen bezwaar tegen. Door het verschil in het systeem van bekostiging is de geneeskundige hulp, die de Nederlandse patiënt in rekening wordt gebracht, in Vlaanderen goedkoper dan in Nederland.

De grens is dus nog steeds aanwezig, al dan niet op rationele gronden.

Het GROS-project richt(te) zich op de formele belemmeringen van de grens. Belemmeringen waar de burger en het bedrijfsleven last van hebben in het grensverkeer. Belemmeringen, die door overheden veroorzaakt zijn en dus door de overheden ongedaan kunnen worden gemaakt.

Formele belemmeringen die als gevolg van verschil in wetgeving zijn ontstaan en eventueel verzacht of weggenomen kunnen worden.

Maar ook hier is voorkomen beter dan genezen.

Voorkomen; door bij nieuwe wetgeving geen onnodige verschillen te laten ontstaan. De betrokkenen aan de overzijde van de grens bij nieuwe wetgeving consulteren. Het is al eens eerder onder de benaming Grenstoets bepleit. Onder meer door de Nederlandse Raad van het Openbaar Bestuur. Maar dit pleidooi is met het oneigenlijke argument van strijdigheid met het terugdringen van administratieve lasten verworpen. Alsof het terugdringen van administratieve lasten erop gericht is de administratieve last van ambtenaren te verlichten in plaats van de administratieve last voor burger en bedrijf te verminderen.

Het GROS-project heeft zich daarom tactisch beperkt tot en gericht op de Implementatie van Europese richtlijnen in nationale wetgeving. Europese richtlijnen, die nota bene gericht zijn op Europese harmonisering, maar waar bij de noodzakelijke omzetting in nationale wetgeving onnodige verschillen in interpretatie en uitwerking kunnen ontstaan.

Als voorbeeld:

De Duitse en Nederlandse wetgeving aangaande mestverwerking, gebaseerd op dezelfde Europese richtlijn, verschillen fundamenteel. In Nederland moet de mest in de grond geïnjecteerd worden, in Duitsland is dat vanwege de bodemverontreiniging niet toegestaan.

Rond milieuhinderlijke of gevaarlijke objecten worden in de planologie  calamiteits- en milieucirkels getrokken. De calamiteits- en milieucirkels rond overlastgevende objecten in Nederland en België verschillen echter in afstand, alsof de reukorganen aan weerzijden van de grens anders gevormd zijn en de kwetsbaarheid van mensen aan weerzijde van de grens niet dezelfde is.

Dit soort irritante en onnodige verschillen moeten in de toekomst voorkomen worden.

De afstemming met de naburige landen bij nieuwe implementaties wordt inmiddels positief overwogen (zie de recente Nederlandse kabinetsbrief). In België en Vlaanderen is er positief op gereageerd, evenals in NRW.

Nu wordt voor die afstemming een beroep gedaan op de bij de implementatie betrokken rijksambtenaren. Maar moeten we ons daartoe beperken. Men moet immers de actie daar leggen, waar de motivatie het grootst is en dat is in de grensregio’s.

Grensregio’s en grensprovincies zouden zich moeten inzetten om onnodige verschillen in toekomstige wetgeving aan beide zijden van de grens te voorkomen. Voor die opgave zijn Haagse ambtenaren niet slimmer dan de ambtenaren in de regio.

De noodzakelijke actieve rol van grensregio’s en grensprovincies geldt voor de totale problematiek van de grensoverschrijdende samenwerking. De Grensregio’s hebben het GROS-project op gang gebracht. De grensprovincies, de grensregio’s, de Euregio’s moeten die aandacht blijven stimuleren. Zij zullen dat in gezamenlijkheid moeten doen. Te vaak hebben in het verleden Euregio’s met de gedachte geleefd dat hun problemen uniek waren, terwijl de andere Euregio’s met dezelfde problemen kampten. Zeven Euregio’s maken meer indruk in Den Haag of Brussel of Dusseldorf dan een enkele Euregio. Het initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken om met de Euregio’s een driewekelijks afstemmingsoverleg overleg te hebben, zal dan ook voortgezet worden.

Als voormalig commissaris van de Koningin in de provincie Zeeland heb ik de ervaring dat grensoverschrijdende contacten een waardevol extra oplevert voor de functie. Ik verwacht dan ook veel van de CdK’s in de grensprovincies en van de gouverneurs aan Vlaamse zijde.

Naast de formele belemmeringen zijn er de informele belemmeringen in oriëntatie, attitude, cultuur en vooroordeel.

Zo zal de oriëntatie op de grensgebieden blijvend beïnvloed worden door de illustratieve landkaartjes, waarop het gebied buiten de Nederlandse grenzen als blanco wordt weergegeven. Bij Belgische landkaarten zal dat niet anders zijn. Deze beeldende blanco weergave bevordert dat grensgebieden voortdurend als periferie worden gezien en blijft de indruk bestaan dat het gebied over de grens niet van belang is. Terwijl het naburige buitenland in meerdere opzichten van groot belang is voor Nederland.

Dat het buitenland voor Nederland belangrijk is weet iedere Nederlander. De helft van het Nederlandse Nationale Inkomen vloeit voort uit de relatie met het buitenland. Maar dat het naburige buitenland in de relatie met het buitenland een zeer dominante rol vervult, is minder bekend. Met het naburige buitenland wordt dan Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Niedersachsen bedoeld.

De economische relatie met alleen al NRW is voor Nederland belangrijker dan de economische relatie van Nederland met de Verenigde staten, Japan en China tezamen. De relaties van Nederland met Vlaanderen en van Vlaanderen met NRW zullen hetzelfde beeld geven. De benoeming van een ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, de heer Lak, om speciaal de relatie met het Naburige buitenland te versterken, juich ik als resultaat van het GROS-project dan ook zeer toe.

Nederland en Vlaanderen zijn naburig buitenland voor elkaar. Voor beide is Noordrijn-Westfalen naburig buitenland. Zou het niet mooi zijn als Vlaanderen en Nederland op een aantal terreinen zich gezamenlijk in het gemeenschappelijke naburige buitenland van Noordrijn-Westfalen zouden manifesteren.

De detachering van een ambtenaar uit NRW bij het Benelux-secretariaat is in dit verband een duidelijk signaal dat van die kant een grote belangstelling is voor samenwerking met de Lage landen.

De bereidheid van de havens van Rotterdam en Antwerpen om gezamenlijk een aandeel te nemen in de Duitse binnenhaven Duisburg in Noordrijn-Westfalen is een ander fantastisch voorbeeld van de erkenning van het belang van het naburige buitenland en een fantastisch voorbeeld dat dit op de beste wijze in gezamenlijkheid benaderd kan worden. Een goed voorbeeld van Europees denken.

Dat de belemmeringen in het grensverkeer niet algemeen in Nederland als een probleem wordt ervaren is nog te begrijpen. Op enige afstand van de grens vermindert dat besef drastisch en leidt tot een attitude van desinteresse. Zo wordt op enige afstand van de grens de omvang van die problematiek blijkbaar optisch verkleind. Te vaak hebben wij in het GROS-project moeten horen: “Is er dan een probleem?” En als het probleem onderkend werd: “moeten we dat voor die enkele grensbewoner gaan oplossen?” Terwijl 2 miljoen Nederlanders in grensgemeenten wonen. Deze aantallen burgers wordt nog groter als we de Vlaamse en Duitse grensbewoners mede in beschouwing nemen.

Het is dit bagatelliseren van de grensproblematiek die moet verklaren waarom ondanks Benelux, ondanks Europa de grensoverschrijdende samenwerking nog steeds zo veel belemmeringen ondervindt.

Te veel wordt het belang van wegnemen van belemmeringen aan de grens alleen in het belang van de grensregio’s gezien. De grensregio’s presenteren het ook te vaak op die wijze. In dit verband mis ik een studie die aangeeft dat het belang van grensregio’s in grensoverschrijdende samenwerking ook in het belang van geheel Nederland is. Het regionale belang ook een nationaal belang is.

De resultaten van de grensoverschrijdende politionele samenwerking in het EPICC in Heerlen, een centrum waar de politionele informatie van NRW, Belgisch Limburg en Nederlands Limburg wordt verzameld en uitgewisseld. Een centrum dat is ontstaan omdat er een ontwikkeling is waarbij criminelen zich gedeisd houden in een grensregio om vervolgens aan de andere zijde van de grens hun slag te slaan. Zonder grensoverschrijdende samenwerking van de politiecorpsen komen deze criminelen daarmee weg. Door het bundelen van de informatie over de grenzen heen kan de politie hier tegen optreden. Maar deze resultaten komen toch niet alleen de grensregio’s ten goede, maar zijn voor onze landen in het geheel van betekenis.

Grensoverschrijdende samenwerking als een uiting van de Europese samenwerking. Grensoverschrijdende samenwerking als uiting van de Europese verwevenheid. Jammer genoeg hebben we hier het tij tijdelijk tegen, met de groeiende Euroscepsis in Nederland. Althans in de beleving van burgers want de realiteit is anders. Dit wordt alleen al zichtbaar als men de Euromunten in zijn portemonnee beziet. Al gauw zult u daar Euro’s van meerdere landen aantreffen. Dat de introductie van de Euro het Europese handelsverkeer zou bevorderen was duidelijk. Maar als econoom had ik niet verwacht dat ook op consumptieniveau er sprake zou zijn van een zo vergaande Europese monetaire integratie. Dit komt tot uitdrukking in die verschillende Euromunten. Controleert u het maar. Wat geldt voor de verwevenheid van Europa geldt des te meer voor de verwevenheid van de grensregio’s.

Het belang van grensoverschrijdende samenwerking bij het oplossen van de problematiek van de Krimpregio’s wordt nog volledig onderschat. Krimpregio’s zijn regio’s waar door bevolkingsvermindering en veroudering problemen ontstaan in het op peil houden van maatschappelijke voorzieningen en op den duur zelfs het op peil houden van het economisch proces. Krimpregio’s zijn in veel gevallen grensregio’s.

Maar zijn ze dat nog wel als we de actieradius iets vergroten. Is Zuid-Limburg nog wel voor zijn voorzieningen een krimpregio als het in samenhang met de regio Aken wordt bekeken. Is Zeeuws-Vlaanderen nog wel een krimpgebied als het in samenhang wordt gezien met de dynamische regio’s van Antwerpen en Gent. Zou de beschikbaarheid van voorzieningen, de arbeidsmarkt en de woningmarkt er niet gunstiger uit zien als de grens niet zijn belemmerende en scheidende werking vervulde.

De Bouw in Nederland wordt geconfronteerd met problemen. In Duitsland zijn die problemen minder. Toch worden de grensoverschrijdende mogelijkheden onvoldoende benut en onnodig beperkt door cultuurverschillen, de erkenning van beroepen, concurrentieverhoudingen etc. Men behoeft geen kenner van de arbeidsmarkt te zijn om te weten dat we in de toekomst een enorm tekort aan arbeidskrachten zullen hebben en elkaar, over de grenzen heen, hard nodig zullen hebben. Vanuit dat besef wordt in NRW in overleg met Nederland de erkenning van Nederlandse beroepsopleidingen versoepeld. Maar dat de toekomst vandaag al begint en de grensoverschrijdende samenwerking dus nu al urgent is wordt onvoldoende beseft.

De erkenning van installateurs (Electra, gas, waterleiding etc.) in Nederland en Vlaanderen is verschillend geregeld en werkt dus belemmerend op de grensoverschrijdende inzet. Op het aanbod om Zuid-Nederlandse installateurs een dag bij te scholen, zodat zij ook een Vlaamse erkenning zouden kunnen verkrijgen, werd negatief gereageerd. Een aantal bedrijven had het gevoel dat men de ingewikkelde weg in Vlaanderen wel wist te vinden en dat andere bedrijven belemmeringen ondervonden, vond men vanuit concurrentie overwegingen niet zo erg. Vanuit het gemeenschapsbelang een teleurstellende reactie; maar een aardige illustratie dat acties om belemmeringen weg te nemen nog wel eens belemmerd worden.

Een ander voorbeeld. Van de andere zijde. De Brakke Grond, het Vlaams Cultureel centrum in Amsterdam, moet worden gerenoveerd. Volgens een keurige procedure werd een Nederlandse aannemer uitgekozen. Echter om als Nederlandse aannemer in België te mogen werken dien je erkend te zijn door de Federale Belgische Overheid. Ook als je werken uitvoert in Nederland, in opdracht van de Belgen, dien je, omdat je door de Belgen betaald wordt eveneens te voldoen aan de Belgische eisen die gesteld worden aan de bouwsector. Voor het erkennen van buitenlandse aannemers is als het ware een ‘mijnenveld’ aangelegd: het is namelijk niet eenvoudig om een Belgische Erkenning te krijgen. Maar omdat het nou eenmaal voor kan komen dat een Nederlander een werk uitvoert voor een Belgische opdrachtgever is er een Erkenningsprocedure. De aannemer wordt gevraagd om een soort Bibop-procedure aan te gaan: er wordt gekeken of men wel betrouwbaar is, op tijd belasting betaalt, de nodige diploma’s heeft, of de uitvoerders wel gediplomeerd zijn, de Sociale Afdrachten doet, een Bewijs van Goed Gedrag hoort daarbij, en als klap op de vuurpijl, een evaluatie van de laatste vier jaar van gedane grote bouwwerken. Dat een aannemer in Nederland al generaties bouwt, en beter weet wat er bij een bouw in Nederland komt kijken, doet niet ter zake. Eenmaal een aanvraag voor Erkenning ingediend duurt het ca. 6 weken om een commissie van wijze bouwmannen haar werk te laten doen om de aanvraag te toetsen. Daarop volgt een kort formeel bericht, of men Erkend is of niet. Men hoort als men niet erkend wordt niet wat er aan de Aanvraag ontbrak. Daarop moet een bezwaarprocedure worden opgestart en gevraagd worden naar wat er nog mankeert aan de Aanvraag. In het geval van de Brakke Grond bleek dat de evaluatie van grote werken te kort schoot, onze aannemer (een multinational die o.a. voor de offshore werkt) moest langs alle grote werken van de laatste vier jaar, om daar aan de opdrachtgever of de architect een schriftelijke evaluatie te vragen. Die evaluaties heeft hij weer opgestuurd, en we wachten nu af… In ieder geval is wel duidelijk dat de renovatie van De Brakke Grond niet meer in 2012 kan plaats vinden.

Belemmeren soms de regels de grensoverschrijdende samenwerking, soms belemmeren de taal of de omgangsvormen.

Aan de oostelijke grens (Nederland – Duitsland) verstaan we elkaar minder goed dan vroeger. Toen we aan beide zijden van de grens in het dialect spraken verstonden we elkaar nog wel. Nu we aan beide zijden van de grens de standaardtaal zijn gaan spreken, begrijpen we elkaar minder. Nederlanders in de grensstreek kijken ook niet meer naar de Duitse televisie. Duits wordt ook minder als taal in het voortgezet onderwijs in Nederland gekozen.

Het onderwijsproject waarbij, onder meer in Limburg, in het basisonderwijs de grenstaal wordt geleerd is een goed initiatief. Kennis van de taal en de omgangsvormen is een eerste vereiste in het grensverkeer. De persoonlijke verhoudingen zijn nu eenmaal bepalend voor goed resultaat in de grensoverschrijdende samenwerking. In navolging van het taalproject in Limburg dat op Duitsland is gericht zou langs de grens (Nederland Vlaanderen) meer onderricht over elkaars geschiedenis, tradities, gewoonten etc. gegeven kunnen worden.

De taalverschillen worden overigens ook te vaak overdreven. Zo wordt een niet-Nederlandse film wanneer die in de bioscopen wordt gepresenteerd zowel in het Vlaams als in het Hollands vertaald. Wanneer de film later op de televisie wordt uitgezonden wordt de film opnieuw in beide talen vertaald, om tenslotte bij het uitbrengen op DVD wederom in de twee talen vertaald te worden. In totaal wordt de film dus zes keer vertaald. Enigszins overdreven, vijf keer te veel, vindt u niet? Een Australische film wordt echt niet ondertiteld wanneer de film in Engeland of de Verenigde Staten wordt uitgebracht. Terwijl men in deze landen de Engelse taal toch enigszins verschillend spreekt.

Het lijkt wel of het voordeel van de Vlaams-Nederlandse samenwerking, onze gemeenschappelijke taal, ons niet gegund wordt.

Zoals ook de versimpeling gemeenschappelijke taal is gemeenschappelijke cultuur contraproductief werkt. De mislukte samenwerkingsprojecten in het verleden zijn daar de pijnlijke getuigen van. Het waren deze mislukkingen die voor de provincie Zeeland aanleiding waren om de eerdergenoemde cursus Vlaanderen te organiseren.

Een bijkomende motivering om deel te nemen aan deze cursus was de stelling “Als men als Nederlands bedrijf zaken kan doen in Vlaanderen dan kan met het ook in overig Zuid Europa” immers in culturele zin begint Zuid Europa ten zuiden van de Schelde.

Esso Benelux vertelde mij toen dat een Vlaamse Esso-vertegenwoordiger goed naar een Nederlandse pomphouder kon worden gestuurd om met succes zaken te doen, maar dat een Nederlandse Esso-vertegenwoordiger naar een Vlaamse pomphouder sturen geheid op een mislukking zou uitlopen. Er is geen goed vertrouwen. Vooroordelen spelen een negatieve rol.

Vooroordelen gebaseerd op verschillen, soms kleine verschillen. Maar daarbij speelt blijkbaar wat Freud “het narcisme van de kleine verschillen” noemde, zoals Geert Buelens aanhaalt in de publicatie “Beste Buren”. Kleine verschillen, die opgeblazen worden tot vooroordelen.

Vooroordelen kunnen grensoverschrijdende ontmoetingen frustreren. Terwijl het soms vooroordelen zijn die uit een ver verleden stammen. Ik stelde al dat de opvatting in Vlaanderen “Hollanders zijn niet te vertrouwen” een vooroordeel is dat vermoedelijk stamt uit 1585 toen bij de val van Antwerpen de Noordelijke Nederlanden de Zuidelijke Nederlanden in de steek lieten. Het Zuiden waar de opstand tegen Spanje begonnen was en waar het Vlaamse land het meest geleden heeft in de strijd tegen Spanje. Een oud vooroordeel dat echter bij problemen tussen België en Nederland tussen Vlaanderen en Nederland weer de kop op steekt. Zoals bij de perikelen rond het Westerscheldedossier en de moeizame gang van zaken rond dit dossier dit vooroordeel weer bevestigd wordt.

In het Westerscheldedossier speelt de trits Bereikbaarheid, Veiligheid en Natuurlijkheid in samenhang een belangrijke rol.

Toen; een prachtig voorbeeld van integrale bestuursinzet.

Nu; blijkbaar te complex voor de meer simplistische bestuurscultuur met populistische trekjes.

Het zal u niet verbazen dat het aspect Natuurlijkheid niet vanuit Antwerpse havenkringen is ingebracht, maar sterk bepleit is door Zeeland. In havenkringen werd Zeeland er zelfs van verdacht dat het aspect Natuurlijkheid ingebracht werd om het dossier ingewikkelder te maken en daarmee vertraging te veroorzaken ten gunste van concurrent Rotterdam. Een opvatting die vanuit Zeeland als onjuist is bestreden. Rotterdam speelde in de Zeeuwse benadering geen rol.

Dat na de adviezen van drie zware commissies om tot ontpoldering over te gaan, het Nederlandse kabinet toch een andere weg inslaat dan men heeft afgesproken, geeft voeding aan oude vooroordelen en brengen die weer tot leven. Dat Zeeland als pleitbezorger van de Natuurlijkheid nu in de beeldvorming de realisatie daarvan blokkeert, versterkt dit herleefde vooroordeel. Gemakshalve worden Zeeuwen dan als Hollanders gezien, maar vooroordelen kennen nu eenmaal weinig nuances. Hollanders zijn niet te vertrouwen

En waar gaat het nu  om: 300 ha akkerbouwgrond, bietenland, in een polder die u op een kaart van iets meer dan honderd jaar oud niet zult vinden. Want dan ziet u water. 300 ha, met de schaalvergroting in de landbouw, goed voor anderhalf boerenbedrijf.

Wat tegenstanders van de ontpoldering ook voor profijt aan hun standpunt toekennen. Dat profijt valt in het niet bij de schade die aan de beeldvorming en daarmee aan de Vlaams- Nederlandse samenwerking wordt toegebracht. Hoe eerder het Westerscheldedossier wordt afgerond, hoe beter en dan het liefst volgens de lijn; afspraak is afspraak.

Hoe eerder hoe beter, want bij de tegenstanders van de ontpoldering speelt heel nadrukkelijk een anti Vlaams gevoel een rol. Men leest er de email reacties op de website van de Provinciale Zeeuwse Courant maar op na. Of leest u ze maar niet, want je wordt gedeprimeerd van het lezen van zo veel negatief gevoelen over Vlaanderen en in het bijzonder Antwerpen.

Voornamelijk gebaseerd op gebrek aan kennis.

Antwerpen is in die reacties een stad in het verre vijandige buitenland. Men realiseert zich niet dat de doorvoer van Antwerpen voor een groot deel voor Zuid-Nederland bestemd is, dat de Nederlandse binnenvaart in grote mate de Antwerpse doorvoer over de binnenwateren verzorgt en dat ook het Nederlandse wegvervoer een belangrijk aandeel in de doorvoer over land heeft. Veel bedrijven zijn zowel in Nederlandse als in Vlaamse havens actief. Het getuigt van weinig logistieke kennis als men die verwevenheid niet onderkent. Het belang van Antwerpen is ook in grote mate een Nederlands belang. Zoals ook op 22 januari in Antwerpen bij de ondertekening van de Vlaams-Nederlands Delta tot uitdrukking is gebracht.

Het gebrek aan kennis is in zichzelf een belemmering. Zo kan er op nogal wat gebieden meer dan men gemakshalve aanneemt. Zo is in het GROS-project gebleken dat nog ten onrechte wordt aangenomen dat grensoverschrijdend optreden van politie of brandweer niet mogelijk zou zijn.
Terwijl sommige grensoverschrijdende procedures 10 jaar geleden al geregeld zijn.

Vanwege de belemmerende werking van beelden uit het verleden zou ik graag het initiatief van de commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen- Nederland willen uitdragen en bepleiten om Belgisch-Nederlandse historische studies te verrichten over ons gezamenlijk verleden. Het CVN richt zich daarmee tot de geschiedenisafdelingen van onze universiteiten, historische kringen, e.d. Studies over een gezamenlijk verleden waarover we in België/Vlaanderen en Nederland verschillend denken. Alleen al het verschil in aanduiding is opvallend. Zo spreekt men in Vlaanderen over de periode 1815- 1830, terwijl we in Nederland hardnekkig over 1815 -1839 spreken.

In de overigens prachtige geïllustreerde Capitool reisgidsen wordt de gezamenlijke periode als volgt omschreven: Tussen 1794 en 1830 was België weer bezet door buitenlandse machten. Eerst door het Franse republikeinse leger en later, na Napoleons val bij Waterloo in 1815, door de Nederlanders.

Zeker nu we binnenkort 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden memoreren mag een nadere gezamenlijke beschouwing over de gemeenschappelijke Belgisch-Nederlandse periode niet ontbreken.

De lezingen en overige activiteiten die het ANV in 2012 en de jaren daarna heeft aangekondigd zijn eveneens een goed initiatief.

Ik kan u verzekeren dat er een gretig publiek is om over dit verleden geïnformeerd te worden. Ik heb dat mogen beleven bij twintig lezingen, die ik over Koning Willem I en het verlies van België heb mogen houden. Over deze periode is nog veel onbekend.

Zijn de verschillen over de grens ontstaan door verschillen in taal, historie, culturele ontwikkelingen het is de Cultuur die deze verschillen weer kan overbruggen. Tenminste als men verschillen in de samenleving ervaart als een potentiële verrijking van het leven in plaats van een bedreiging.

We hebben ook hier jammer genoeg het tij tegen ons. In crisistijden hebben mensen een neiging om zich in de eigen kring terug te trekken en daar hun veiligheid te zoeken zich afzettend tegen als wat maar van buiten komt. Het is als de Romeinse krijgseenheid die in het laatste deel van de verloren strijd zich in een cirkel opstelt en zich tegen de boze buitenwereld verdedigt. De angst voor de crisis beïnvloedt niet alleen het politieke denken maar ook het denken over de ander, de ander aan de overzijde van de grens. Ook Nederland kent nu zijn variaties op het thema “Eigen volk eerst”.

Cultuur helpt de ander te leren kennen en te waarderen. De ander als partner en niet als vijand te zien en te bejegenen.

Cultuur is zuurstof van de economie, ook voor de grensoverschrijdende economie. Niet zonder reden hebben Antwerpen en Rotterdam de afspraken voor economische samenwerking vooraf laten gaan door een verdrag over culturele samenwerking.

Het is jammer dat de Jumelages in de afgelopen jaren te veel een vrijblijvend karakter hebben gekregen in de vorm van uitwisseling van harmonieorkesten en sportverenigingen. Het Cultureel Verdrag Vlaanderen Nederland (CVN) heeft uitwisselingen georganiseerd met thema’s als de culturele integratie, de kinderopvang, de response van de culturele sector op het veranderende cultuurbeleid, het omgaan met het cultureel erfgoed etc.  De verschillen in benadering en het gesprek daarover blijkt een enorme verdieping van inzicht te geven. Grensoverschrijdend kunnen we nog een hele boel van elkaar leren. Juist door de verschillen van aanpak leiden de discussies tot de kern waarom het in een bepaalde sector gaat en levert de ontmoeting een meerwaarde op.

Ook op cultureel gebied kunnen Vlaanderen en Nederland zich gezamenlijk manifesteren in het naburige Duitsland. Een tripartiete ontmoeting die een dubbele meerwaarde zal bieden.

Het huidige cultuurbeleid in engere zin is niet erg bevorderlijk voor de grensoverschrijdende cultuuractiviteiten. De opgelegde bezuinigingen leiden bij Nederlandse theaterexploitanten tot risicomijdend gedrag, waardoor minderbekende Vlaamse groepen geen kansen meer krijgen op de Nederlandse podia. De schouwburgen durven het risico niet meer aan. Jammer, want de Vlaamse podiumkunsten zijn verfrissend en vernieuwend. Grensoverschrijdende cultuurmanifestaties zouden voor Nederland een prettige stimulans kunnen vormen.

Het is jammer dat goede initiatieven, zoals de gezamenlijke uitzending van Klara en de klassieke zender Radio 4 niet vaker plaatsvinden. Eenmaal per jaar vind ik veel te weinig. Het is jammer dat een gezamenlijk Vlaams-Nederlands theaterfestival uiteengevallen is in een Vlaams en een Nederlands festival. Ik bepleit een samenvoeging.

Te weinig is bekend wie allemaal met Vlaams-Nederlands grensoverschrijdend bezig is, daarom is het CVN bezig een inventarisatie te maken en het resultaat op een interactieve website “grensopener.eu” te presenteren. U kunt uw initiatieven toevoegen.

De goede ervaringen in de grensoverschrijdende samenwerking moeten wel langs de grens worden uitgewisseld. Zo bleek in de gezondheidszorg dat van de meer dan 50 ziekenhuizen langs de Nederlands-Duitse grens er slechts 11 grensoverschrijdende afspraken hebben gemaakt. Een teleurstellend aantal, maar nog teleurstellender was te vernemen dat men van elkaars ervaringen geen kennis had genomen. De vijftig niet van de ervaringen van de 11, maar ook de 11 ziekenhuizen waren nagenoeg onbekend met de resultaten, die andere ziekenhuizen met de grensoverschrijdende samenwerking hadden geboekt. Een succesvol symposium in Nijmegen heeft, naar ik hoop, een begin gemaakt aan een grotere uitwisseling van goede ervaringen. Ik hoop dat dan ook de Vlaams-Nederlandse grens er bij betrokken wordt. Dat zal dan een voorbeeld kunnen zijn voor andere sectoren om grensoverschrijdende ervaringen langs de grens uit te wisselen.

Hoe overbruggen we de belemmeringen in de Vlaams- Nederlandse samenwerking.

Door die belemmeringen te onderkennen en te benoemen.

Ik heb er aantal als voorbeeld genoemd, er zijn er zeker meer te melden. U heeft vast ook uw voorbeelden.

Door vervolgens de bevoegde instanties te bewegen de belemmeringen weg te nemen. Voorkomen is wellicht beter in ieder geval gemakkelijker te realiseren.

U moet echter de weerstand niet onderschatten. Zolang de Haagse politiek fiscale en sociale wetgeving en het beleid op het gebied van  gezondheidszorg, welzijn en onderwijs nationaal wil regelen en geen bemoeienis van Europa wenst zullen er verschillen aan beide zijden van de grens blijven ontstaan en heeft de grensbewoner daar last van. Alleen de grensbewoner? Eigenlijk is toch heel Nederland een grensregio!

Er wordt veel verwacht van de overheid om de grensoverschrijdende samenwerking te bevorderen. Het GROS-project richt(te) zich op het wegnemen van de meest urgente belemmeringen, knelpunten zoals ze werden genoemd.

Ik heb al gezegd. Deze aanpak mag niet de indruk wekken dat grensoverschrijdende samenwerking louter een zaak is van overheden. Te vaak ontstaat dit misverstand niet in de laatste plaats bij vertegenwoordigers van die overheden zelf. Grensoverschrijdende samenwerking is vooral gebaat bij creatieve initiatieven van burgers, instellingen en bedrijven. De overheden kunnen daarbij stimulerend en faciliterend bijdragen. Grensoverschrijdende ontmoetingen zijn gewoon leuk.

Naast de formele belemmeringen zijn er veel informele, vaak irrationele, belemmeringen. Die kunnen alleen maar weggenomen worden als we elkaar blijven ontmoeten.

Er is nog veel te bereiken op het gebied van de arbeidsmarkt, de beroepserkenning, het grensoverschrijdend gebruik van het brede spectrum aan voorzieningen, het onderwijs, de cultuurparticipatie. Mogelijkheden over de grens die meer en beter benut kunnen worden in het belang van onze burgers, instellingen en bedrijven en daarmee een promotie zijn voor de Europese gedachte. Maar toch ook een verrijking zijn van ons leven.

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht