CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Een culturele unie tussen Vlaanderen en Nederland?

04/03/2011

Op 26 februari 2011 hield het ANV-Vlaanderen een ledenvergadering over de verhouding Vlaanderen – Nederland onder het motto “Nederland en Vlaanderen, een culturele unie”?

Prof. dr. Jan De Groof, hoogleraar aan het Europacollege en de Universiteit Tilburg en vertrouwd met cultuurbeleid en –management, formuleerde voor een talrijk opgekomen publiek zijn analyse en zijn visie. Hij pleitte voor een reeks grensverleggende maatregelen, welke één ‘Gemeenschappelijke culturele, onderwijs- en wetenschapsruimte’ tot stand kunnen brengen, en tevens voor leiderschap op het Europees vlak. Wijlen Johan Fleerackers zou voorheen de term ‘Nederlandse Gemenebest’ hebben gehanteerd. ‘Gemeenschappelijke Ruimte’ verwijst naar de gangbare terminologie van de Europese ambities, o.m. binnen onderwijs en onderzoek.

Nederlandse onverschilligheid ?

Recent imago-onderzoek, besteld door de Vlaamse regering, bevestigde nog steeds bestaande wederzijdse vooroordelen. Anderzijds wordt Nederland overspoeld door een golf van Vlaamse creativiteit in ettelijke culturele en cultuureconomische domeinen, die een zekere Nederlandse arrogantie fors in vraag stellen.

De structurele samenwerking startte zowat 60 jaar geleden (Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag, afgesloten in 1946). Enkele institutionele verbanden vloeiden hieruit voort: de Nederlandse Taalunie in 1980, de Brakke Grond in 1981, het huidig Cultureel Verdrag uit 1995, Steunpunt Literair Vertalen, ‘deBuren’ in 2004, de publieke televisiezender BNV voor Nederlandstaligen in het buitenland alsook enkele spraakmakende, maar weliswaar momentane culturele initiatieven (gemeenschappelijke opstelling in ‘Frankfurter Buchmesse’, LOW-festival). Ook inzake onderwijs werden akkoorden en verdragen afgesloten tussen Nederland en Vlaanderen.

De verschillende instrumenten hanteren uiteenlopende begrippen: ‘integratie’ en ‘uniform beleid’, of ‘samenwerking’ en ‘onderlinge afstemming’ en kunnen elk afzonderlijk kritisch worden bejegend in hun gebrekkige implementatie.

De ambitieuze ‘Strategienota Nederland’ van de Vlaamse regering (2005), unaniem goedgekeurd door het Vlaams Parlement, schetste een strategische alliantie van Vlaanderen en Nederland maar werd gewoonweg niet beantwoord van Nederlandse zijde. Den Haag gaf steeds voorrang aan het staatkundig concept België. Pas recent (2008) werd in de Nederlandse beleidsbrief ‘Grenzeloze Kunst’ aan Vlaanderen ‘een bijzondere positie’ toegekend. De Tweede Kamer keurde een voorstel goed om ‘de culturele samenwerking met Vlaanderen uit te bouwen onder de paraplu van de Taalunie’, een warrig idee. Naarmate de Vlaamse zelfstandigheid vorderde, werd ook de ‘integratie’ met Nederland in vraag gesteld van Vlaamse zijde.

Niet louter ‘Buren als culturele Bondgenoten’

Prof. dr. Jan De Groof zoemde in op de gemiste kansen bij de herziening van hetBenelux-Verdrag (2010) en hekelde het gemis aan belangstelling voor cultuur vanwege de Europese Commissie, ofschoon het Verdrag van Amsterdam ‘cultuur’ tot één der opdrachten van de Europese Unie had geproclameerd.

Vlaanderen en Nederland beschikken door hun verbondenheid in taal en cultuur over ongekende kansen om in Europa een eigenzinnige plaats te verwerven, om vorm te geven aan de Europese ‘culturele verscheidenheid’, maar ook om gemeenschappelijke belangen, veel omvattender dan de domeinen van cultuur, onderwijs, onderzoek en welzijn (de bevoegdheidsgebieden van het Cultureel Verdrag), zichtbaar en afdwingbaar te maken. ‘Samen doen wat beter kan’ is de perfecte toepassing van het subsidiariteitsprincipe, dat concrete actie vergt op zes niveaus.

Vooreerst dienen de bestaande akkoorden consequent uitgevoerd. Op zich reeds veronderstelt deze eenvoudige norm meerdere ingrepen: de samenvoeging van de afzonderlijke Letterenfondsen; de heropstanding van de ‘Stichting Vertalingen’; een ruimere opdrachtomschrijving van de buitenlandse Leerstoelen, enzovoort.

Ten tweede dient het cultuurbeleid en ook de regelgeving op elkaar afgestemd en dienen de samenwerkingsmogelijkheden benut: één Theaterinstituut, de oprichting van een cultuurzender en tal van afspraken in mediabeleid, creatieve industrie, subsidiebeleid, taalonderricht met inbegrip van expertise inzake allochtonen, kwaliteitsverbetering, enzovoort. Dit alles schept een ‘Gemeenschappelijke Culturele Ruimte’.

Vervolgens: vanuit meerdere overwegingen dient vastgesteld dat de internationale economische en sociale uitdagingen efficiënter weerwerk krijgen door een coherente afstemming onder Vlaamse en Nederlandse universiteiten en hogescholen. De ambitie om beter te scoren op de ‘Global Competitiveness Index’ kan anders nooit worden gerealiseerd. Nu reeds is de regelgeving onderling gelijklopend (statuut, eindtermen) of identiek (kwaliteitszorg, accreditatie). Een ‘Gemeenschappelijke Hoger Onderwijs-Ruimte’ biedt betere garantie op het discours van gelijke onderwijskansen en van het streven naar uitmuntendheid. Indien Vlaanderen en Nederland een zelfde wettelijk kader kennen, hoeven daarenboven de talrijke Nederlandse studenten zich niet meer, overigens vaak zonder succes, aan te melden bij Vlaamse instellingen. Ook naar het leerplichtonderwijs kunnen de bestaande GENT-akkoorden een groter draagvlak verhopen.

Een vierde perspectief is onbetwistbaar de creatie van een ‘Gemeenschappelijke Onderzoeksruimte’: samenwerkingsmogelijkheden worden nu onderbenut en de schaarste aan middelen noopt tot rationeler organisatie van impulsprogramma’s, onderzoeksfondsen (fusie van FWO en NWO), versterking van geografische netwerken, enzovoort.

Grensverleggend?

Ten vijfde pleitte prof. De Groof voor een gemeenschappelijk Europees en buitenlands cultuurbeleid. Bestaande akkoorden dwingen daar nu reeds toe en een gemeenschappelijk antwoord op Europese en multilaterale (Unesco, Oeso, Raad van Europa) programma’s geven meer waarborg op resultaat en kwaliteit.

Tenslotte dienen Vlaanderen en Nederland het voorgetouw te nemen in een meer dynamisch appèl op de culturele roeping van Europa.  Tot nu toe zijn de acties van de Europese Unie te marginaal, financieel zo schraal en in bereik bijzonder smal. Spijts de verdragrechtelijke verplichting wordt het Europees optreden in bijvoorbeeld economische domeinen niet getoetst op zijn ‘cultureel effect’. Om de mobiliteit van kunstenaars, andere professionelen, gebruikers en studenten te verbeteren, om meer inzicht te verwerven in kwaliteit, om culturele verscheidenheid aan te moedigen, moet een eigen Erasmus-programma worden ontwikkeld.  Een cultureel ‘Bolognaproces’zou inhoud en visibiliteit moeten verstrekken aan de culturele dimensie van de Unie.

Teneinde deze zes strategische doelstellingen te realiseren, formuleerde prof. Jan De Groof een reeks beleidsmaatregelen, welke het culturele veld en bestaande expertise wil honoreren. Een interministerieel comité, o.l.v. beide minister-presidenten, bewaakt de voortgang en de doorwerking naar het internationaal en het Europees niveau.

Een inhoudelijk debat over toekomstige opties kan alvast niet meer vermeden worden.

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht