CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Beperkte dijkbewaking: Cultuurpolitiek vanaf 1875| Cas Smithuijsen

21/12/2007

Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks plaatste het artikel “Beperkte dijkbewaking: Cultuurpolitiek vanaf 1875” door Cas Smithuijsen. Het thema van het artikel: relationele verhoudingen tussen cultuur en overheid, wordt vanwege de relevantie voor CVN integraal weergegeven op het blog.

Bron en volledig artikel ook op: Bureau de Helling

Beperkte dijkbewaking

Cultuurpolitiek vanaf 1875

In deze bijdrage blikt Cas Smithuijsen in vogelvlucht terug op de ontwikkeling van de relatie tussen het openbaar bestuur en de cultuur. Ondanks de voortdurende discussies op dit terrein blijkt er sprake te zijn van een grote mate van continuïteit.

Over de relatie tussen de overheid en de cultuur is vaak van alles te doen. De prestaties van onze beeldende kunstenaars stellen internationaal niets voor, onze taal wordt bedreigd door slechte opleiding en onvoldragen inburgering, het Rijksmuseum krijgt schandelijk veel geld en de oostelijke provincies schandelijk weinig. Maar op de langere termijn is die relatie tamelijk stabiel, zeker als je kijkt naar het cultureel erfgoed. Dat betekent echter niet dat er in de sector cultuur geen gevaar meer dreigt. De publieke omroep wacht nog steeds op een kloeke besluitvorming. En de politieke betrokkenheid met de aanmaak van nieuwe kunst en cultuur loopt terug. Er is geen reden tot paniek, maar beperkte dijkbewaking blijft noodzakelijk.

Het verhaal van de relatie tussen politiek en cultuur kan het best worden verteld in drie fasen: van 1875 tot de Tweede Wereldoorlog, de periode 1945 – 2000 en de actualiteit.

Cultuurzorg 1875 – 1940: Holland op zijn smalst

In 1873 slaat de kunstgevoelige aristocraat Victor de Stuers (1843-1916) alarm in het tijdschrift De Gids. In een artikel getiteld ‘Holland op zijn smalst’ geeft hij een huiveringwekkend overzicht van culturele afbraak. Bijna alle schilderijen van Rembrandt zijn via veilingen naar het buitenland verdwenen en zelfs delen van monumenten worden losgezaagd en aan buitenlandse musea verkocht. De gegoede burgerij neemt vervolgens in versneld tempo initiatieven om Nederland weer te doen aansluiten bij het Europese culturele leven dat in de omringende landen op veel hoger peil staat. In 1876 houdt de Vereniging Het Nederlandsch Tooneel zijn constituerende vergadering; in 1883 begint de Vereniging Rembrandt met het opbouwen van het openbaar kunstbezit; in 1884 start de Wagnervereniging met haar pogingen opera in Nederland een vaste plek te geven; in 1888 opent het nieuwe Concertgebouw zijn deuren. In dezelfde periode ontstaan het Rijksmuseum en het Amsterdamse Stedelijk Museum.

In de tweede helft van de negentiende eeuw neemt in Nederland de welvaart toe en groeit de  belangstelling voor immateriële zaken. Berichten over de teloorgang van de Nederlandse cultuurschatten vinden meer gehoor en leiden sneller tot collectieve verontwaardiging. Individuele of gezamenlijke inzet voor de cultuurzorg is daarvan het resultaat. Maar er is meer dan dat: door zo te handelen dwingen deze particulieren uiteindelijk ook de overheid haar onverschilligheid jegens de kunsten te laten varen. Het eerst gebeurt dat op lokaal en regionaal niveau, later gaat ook de rijksoverheid substantieel in de cultuurzorg delen. Naarmate de overheidsbudgetten voor kunst en cultuur in omvang en aantal toenemen worden de particulieren die dat bestel beheren meer afhankelijk van besturende en controlerende politici, en van hun visie op de functie van kunst en cultuur in de samenleving. In de loop van de negentiende eeuw komen geleidelijk aan meer cultuurpolitieke denkbeelden in omloop. Ze komen te voorschijn uit een botsing van meningen tussen liberalen, socialisten en confessionelen.

De liberalen ontwikkelen onder aanvoering van Jan Rudolf Thorbecke (1798-1872) de stelling dat de staat zich geen inhoudelijk oordeel moet aanmeten over de inhoud van kunst en wetenschap. Ook al wordt deze benadering vaak als negatief beoordeeld, toch is daarmee de basis gelegd voor de professionele vrijheid en duurzame onafhankelijkheid van wetenschappers en kunstenaars. De confessionelen richten zich primair op behoud van roerend en onroerend erfgoed (waaronder uiteraard kerkgebouwen). Het gaat hier voornamelijk om katholieken, want de calvinisten houden zich in het culturele debat meestentijds afzijdig. De Anti-Revolutionairen leggen zich in de politieke arena meer toe op het onderwijsdebat. De al genoemde Victor de Stuers kan gezien worden als de grote stimulator van een cultuurgevoelige mentaliteit onder confessionele bestuurders en politici. Daarmee worden ze de grondleggers van het model waarmee het ‘maatschappelijk middenveld’ met overheidssteun taken van algemeen belang kan uitvoeren. Zo wordt subsidie aan bijvoorbeeld particuliere bibliotheken mogelijk, omdat politiek wordt erkend dat zij een taak van publiek belang uitoefenen. De socialisten, met als culturele voorman Emanuel Boekman (1889-1940), richten zich vooral op cultuurspreiding en -participatie. De overheidsrol jegens de cultuur mag in hun ogen pas geslaagd heten als alle lagen van de bevolking van de cultuurschatten profiteren.

Cultuurbeleid 1945 – 2000 : een duaal bestel

Tussen 1945 en 1960 is de grootste cultuurpolitieke opdracht het volk indringend met schone kunst te confronteren. De daaruit voortkomende schoonheidservaring zou het verheffen boven het platte en verdovende amusement. Want de Amerikaanse Marshallhulp blijft niet beperkt tot hulp die Nederland er economisch weer bovenop helpt. Zij bespoedigt ook de komst van moderne massacultuur: film, populaire muziek, alsook de verbreiding van een moderne levensstijl die de amusementsindustrie een stevige rugwind geeft. De politici van de Rooms-rode coalities komen met grootse plannen om de massa desnoods met overheidsdwang van slechte smaak en liederlijk gedrag af te houden. Naast de commerciële bedrijfstak van het amusement maken overheden een non-commerciële, fijn vertakte infrastructuur operationeel. Aan de basis is deze infrastructuur verzuild. Particulieren besturen de ‘eigen’ omroepvereniging, bibliotheek, school, filmclub enzovoort. Alleen het topsegment van grote nationale instellingen – in handen van professionals – steekt boven de zuilen uit. Gedurende decennia ontwikkelen het gesubsidieerde en commerciële segment zich vrijwel gescheiden van elkaar: het duale bestel. Het overheidsgesubsidieerde gedeelte wordt inhoudelijk aangestuurd met cultuurpolitieke programma’s en nota’s. Belangrijkste actoren worden overheidsdepartementen, rijksinstituten, adviesraden en een groot aantal particuliere instellingen die subsidie ontvangen: zij spannen zich binnen een corporatistische bestuursstructuur in om de hoge kunst van het lage amusement af te schermen.

Na 1960 wordt de kunst geleidelijk opgenomen in de meeromvattende politieke doelstellingen van de verzorgingsstaat. Zij lost op in een pakket voorzieningen waarop elke burger krachtens het principe van een gelijke verdeling van inkomen, kennis en macht aanspraak kan maken. Het principe van de gelijke verdeling is een antwoord op de golf van onrust die omstreeks 1970 door het land gaat en de verhoudingen overal losser stelt. Nederland neemt afscheid van zijn zuilenstructuur, van zijn lekkagevrije afscheiding tussen politieke stromingen, van zijn corporatistische bestuursstructuur, van zijn robuuste maatschappelijke hiërarchie. Nieuwe ideeën doen opgeld: iedereen moet op staatskosten kunnen studeren, openbaar vervoer moet gratis, allemaal gaan we hetzelfde verdienen, opvoeding wordt anti-autoritair ingericht, alle welzijnsvoorzieningen worden gesubsidieerd en
iedereen kan kunstenaar worden. Meeslepende programma’s zijn het, met een hoog utopiegehalte Ze worden slechts ten dele verwezenlijkt, maar in de periode 1965 – 2000 staat Nederland wereldwijd bekend als tolerant land, als een natie met onbegrensde mogelijkheden en een samenleving die buitenlandse invloeden gretig in zich opneemt, die diversiteit en afwijkende meningen duldt en die duizend artistieke bloemen met overheidssteun laat besprenkelen.

Na het linkse kabinet Den Uyl (1973-1977) komt hierin verandering. In het no nonsense perspectief van de kabinetten van Ruud Lubbers (1982-1994) wordt een grens gesteld aan de welzijnsstaat, haar ideeëngoed en haar rijkelijk vloeiende subsidies. Ook het cultuurbeleid wordt ‘gedepolitiseerd’. Anders gesteld: het cultuurbeleid wordt beroofd van krachtige, politieke impulsen en inhoudelijke discussie. In het cultuurbeleid gaat het steeds vaker over procedures, effectiviteit en efficiency, over reorganisatie en periodieke integrale heroverweging, over verzelfstandiging, over taakafstemming tussen overheden en tussen binnenland- en buitenlands beleid. Overheidssubsidies blijven verstrekt worden ter ondersteuning van de autonome, artistieke waarde van kunst en cultuur. Daarvoor is politieke steun, en ook voor de gedachte dat deze waarden met behulp van educatie (voornamelijk binnenschoolse) op volgende generaties moeten worden overgedragen. Maar over het publieke belang van culturele waarden spreekt de politiek zich steeds minder uit, laat staan over de bescherming of te bevordering daarvan. Zonder politieke inspiratie klampt het cultuurbeleid zich steeds meer vast aan de automatisch piloot. Culturele instellingen worden door de Raad voor Cultuur gesorteerd en al of niet toegelaten in een systeem van vierjarige subsidie. De belangrijkste verbindingen worden die tussen de gesubsidieerde instellingen, de Raad voor Cultuur en het subsidiërende ministerie. Het wegvallen van overkoepelende cultuurpolitieke opdrachten bespoedigt een situatie van ‘cultuurzelfbestuur’. Daarvoor zijn inmiddels in ruime mate middelen aangedragen, en ook valt steeds minder te klagen over de inhoudelijke kwaliteit van het aanbod en het professionele management van de organisatie. Maar de discussie over het waarom van overheidssteun aan de levende cultuur blijft meestendeels beperkt tot lobbyachtige pleidooien voor meer geld, of tot redeneringen die al te zeer zijn toegespitst op het directe nut van overheidsinvesteringen.

Cultuurpolitiek na 2000: culturele diversiteit, canon, cultuurindustrie

Al in 1980 zijn sommige kunstinstellingen zich ervan bewust dat ze zich teveel op de autochtone Nederlandse bevolking richten. Voor beleidsontwikkeling ten gunste van culturele diversiteit laten zij zich vooral inspireren door Britse voorbeelden. Adviesraden en beheerders van subsidieloketten, vooral gemeentelijke, ontwikkelen allerlei beleidsvarianten waarmee nieuwe Nederlanders het culturele leven alhier kunnen ontdekken. Ze stuiten daarbij telkens op hetzelfde educatieve dilemma: moet dat door bij hen belangstelling te wekken voor het Nederlandse (gesubsidieerde) aanbod? Of moeten er budgetten afgesplitst worden waarmee minderheidsgroepen hun ‘eigen’ kunstprojecten kunnen realiseren? Die vraag is nog niet beantwoord als tijdens het tweede kabinet Kok (1998-2002) meer nadruk wordt gelegd op migrantenbeleid. Staatssecretaris Van der Ploeg (PvdA) gelooft niet in het aanpassingsvermogen van de culturele instellingen. Hij decreteert subsidievoorwaarden van bovenaf teneinde een etnisch ruimer gesorteerde participatie af te dwingen.

Na 2000 wordt de situatie grimmiger. Vrij plotseling stelt de een na de ander het regerende kabinet verantwoordelijk voor de overlast die het gevolg zou zijn van groeiende groepen allochtonen. De moord op de opstandige politicus Pim Fortuyn (6 mei 2002), die de zittende klasse van openbare bestuurders onomwonden de les leest, alsook de moord op de journalist en filmmaker Theo van Gogh (2 november 2004), die op zijn provocerende wijze de strijd met de fundamentalistische uitwassen van de islam aanbindt, wakkert de onrust verder aan. Daardoor gealarmeerd stellen de politici hun programma’s bij. De immigratie dient beteugeld, integratieprogramma’s opgelegd, de eisen die aan het Nederlanderschap worden gesteld beter nageleefd. Leraren krijgen de verplichting de Nederlandse geschiedenis er bij alle leerlingen in te stampen met behulp van een van overheidswege vastgestelde canon. Allemaal maatregelen om intolerantie tegen te gaan. Waarbij voor lief wordt genomen dat daarmee de verhoudingen in de samenleving ook verstrakken. Als de rust is teruggekeerd, mede onder invloed van een aantrekkende economie, blijven strakke teugels voelbaar.

De ‘nieuwe nuchterheid’ leidt tot een heroriëntatie van het cultuurbeleid. Na incidentele beleidsaanzetten in de richting van cultureel pluralisme wordt nu rigoureus omgeschakeld naar integratie op basis van de formule van ‘interculturele ontmoetingen’. De D66 bewindslieden Medy van der Laan en Laurens Jan Brinkhorst komen in 2005 met het politiek minder beladen thema van ‘Cultuur en Economie’. Daarvan is het doel ‘de economische potentie van cultuur en creativiteit te versterken door het creatieve vermogen van Nederland een impuls te geven’. Maar ook een thema met internationale ambities: de creatieve industrie kan helpen de doelstellingen die de EU in de zogenaamde Lissabon-agenda heeft neergelegd te realiseren. De agenda geeft het voornemen van EU weer om van Europa een groot en in de wereld toonaangevend gebied van kennisintensieve industriële bedrijvigheid te maken. D66 neemt ook het voortouw in de reorganisatie van de publieke omroep, waarin een gigantische bezuinigingstaak besloten zit.

Cultuurpolitiek anno 2007
In juli 2006 valt het kabinet Balkenende II, doordat D66 eruit stapt. Dit heeft overigens geen enkele consequentie voor het thema cultuur en economie: dat  wordt in de kabinetten Balkenende III en IV ongewijzigd voortgezet. Voor de publieke omroep is het vertrek van D66 een zegen: de bezuinigingsvoornemens blijven halverwege steken. Als minister Plasterk (PvdA) als lid van het kabinet Balkenende IV zijn cultuurnota Kunst van Leven presenteert kan hij royaal putten uit de politieke partijprogramma’s die ten behoeve van de Tweede Kamerverkiezingen in 2006 zijn gepubliceerd. Onverminderd sterk daarin is het pleidooi voor behoud van cultureel erfgoed. Niet alleen omwille van dat erfgoed zelf, maar ook omdat volgens het CDA ‘onze nationale geschiedenis aan de hand van het erfgoed compleet kan worden verteld’. Ook PvdA en CU stellen het erfgoed centraal in hun programma’s en het is dus niet verwonderlijk dat het nieuwe kabinet daar veel extra middelen voor uittrekt. De canon voor de Nederlandse geschiedenis waarvoor D66 ijvert is inmiddels in elkaar gezet en door Plasterk als verplicht lesmateriaal opgelegd. Bij de canon past een Huis voor de Nederlandse geschiedenis, een wens van de SP. Ook hier is Plasterk voortvarend: het Nationaal Historisch Museum opent over enkele jaren in Arnhem zijn deuren.

Politieke voorstellen ter bevordering van toegankelijkheid van, spreiding in en deelname aan cultuur spitsen zich toe op de omroep. Met meer kwaliteit in de programmering en minder reclame kan het publieke compartiment in het duale bestel zich beter zichtbaar maken naast de commerciële aanbieders. PvdA, D66, VVD en GroenLinks willen evenwichtig toegankelijke media en een publieke omroep met meer maatschappelijk bereik, meer kwaliteit, pluriformiteit, actualiteit en onafhankelijkheid. CDA, SP en GroenLinks willen geen reclame op de publieke omroep. GroenLinks wil de huidige omroepverenigingen omvormen tot productiehuizen die effectiever werken voor minder publieke zenders, namelijk twee. CDA, SP en ChristenUnie opteren voor het behoud van particuliere, ledengebonden verenigingen. CDA wil ruimte voor culturele minderheden. De Partij voor de Vrijheid (PVV) vindt een publieke omroep met 1 radiozender, 1 tv-zender en 1 radiozender voor de wereldomroep genoeg.

Minder politieke steun is er voor actuele cultuurproductie. Daar worden ook bezuinigingsmogelijkheden gezien, met name in het midden en aan de rechterzijde van het politieke spectrum. De rechterflank keert het actuele culturele leven zelfs in toenemende mate de rug toe. Alleen links houdt onverminderd vast aan steun op dit terrein. GroenLinks pleit voor meer experimenteermogelijkheden en opteert voor een brede definitie van kunst en cultuur: ook amuserende kunst hoort daarbij. SP komt op voor Nederlandse popmuziek. D66 wil expliciet aandacht voor autonome kunstproductie. De PvdA wil minder, maar betere opleidingen ten gunste van een hoogwaardig kunstaanbod. De partij wil ook een minder versnipperd aanbod. Voorts moet er voor afgestudeerden een betere aansluiting komen op de cultuurindustrie. De VVD communiceert met regelmaat opvattingen over subsidiekortingen bij podiumkunst ten gunste van meer consumentensoevereiniteit. In haar programma bepleit zij echter subsidie voor een bloeiend en divers kunstaanbodtout court. De PVV van Wilders vindt dat overheid geen taak heeft op het gebied van film en podiumkunst. Daarover beslissen burgers zelf. In totaal denkt PVV  €1.3 miljard op de uitgaven aan cultuur en omroep te kunnen bezuinigen. De Partij voor Nederland van Nawijn wil directe steun aan cultuur met forse belastingverlaging, waardoor het publiek wordt uitgedaagd tot meer directe bestedingen in de cultuur. Dan kan de overheidssubsidie omlaag. De SGP, EénNL, Lijst Fortuijn en de Partij voor de Dieren hebben geen opmerkingen over kunst en cultuurproductie in hun verkiezingsprogramma’s.

Blijkens cultuurnota Kunst van Leven heeft Plasterk een goed gevoel voor politieke verhoudingen. Hij vraagt aandacht voor kunst als autonome activiteit – te vergelijken met wetenschap. Hij pleit voor het bevorderen van artistieke topprestaties, voor internationaal erkende excellence. En daarnaast voor participatie, niet naar specifieke bevolkingsgroep, maar participatie in het algemeen. Het feit dat culturele diversiteit in zijn prioriteitenlijst spectaculair omlaag stort, roept geen noemenswaardig protest op. Maar ook komt hij centrum-rechts tegemoet met zijn référence naar het profijtbeginsel. Tot op heden is er overigens nog geen discussie geweest over het cultuurbeleid van Balkenende IV en de vraag is natuurlijk of er in enig opzicht nog creatief vuurwerk valt te verwachten.

Balans

De voornemens van Plasterk met betrekking tot de cultuurzorg zijn talrijk en divers: niemand kan er wat tegen hebben, maar zijn voorstellen zullen ook geen hemelbestormende effecten sorteren. Na de turbulenties van de afgelopen periode is het in de cultuurpolitiek kennelijk tijd voor een pas op de plaats.

Dit vestigt de aandacht op de grote mate van stabiliteit in het cultuurbeleid. Er is sinds 1875 een hecht fundament gelegd onder het culturele erfgoed. De monumenten zijn in groten getale hersteld, de collectie Nederland is door talrijke (en dure) aankopen op peil gebracht en er wordt veel werk verzet om haar maatschappelijk te laten renderen. Op het gebied van toegankelijkheid en participatie is het moeilijker de beleidsresultaten te meten. Dat komt vooral door de enorme uitwaaiering van het aanbod. Boekman en zijn generatiegenoten konden het aanbod nog konden definiëren als datgene wat zich op de podia – schouwburgen en concertgebouwen – en op de schappen van leeszalen en boekhandels en aan de muren van musea bevond. Nu is er een veel breder cultureel aanbod voorhanden via festivals, internet, glossies, tv en radio en wat er al niet nog meer aan informatiedragers en -transporteurs actief is. De overheid heeft grenzen aan de steun voor dit aanbod gesteld door te werken met een duaal cultuurbestel. Nog steeds is het hier en daar mogelijk van de wieg tot het graf een leven te leiden in het door overheden gereguleerde non-profit compartiment. Dat blijft alleen mogelijk als dit compartiment – in welke vorm dan ook – zich in de toekomst binnen de democratische verhoudingen door de overheid geschraagd weet. De strijd om het openbare culturele domein waarvan non-commerciële instellingen de ruggengraat vormen zal zich de komende tijd toespitsen op de publieke omroep. De kans op een succesvolle afloop van die strijd wordt bepaald door de mate waarin politieke partijen erin zullen slagen een kwaliteitsaanbod te combineren met een toegang tot en belangstelling voor dat aanbod vanuit de onderscheiden bevolkingsgroepen.

Tenslotte worden de ontwikkelingskansen voor de Nederlandse cultuurproductie grotendeels bepaald door de steun die zij vanuit de politiek weten te verwerven. Het werk van kunstenaars en wetenschappers wordt  hier te lande al eeuwen gekarakteriseerd door sterke invloeden van buitenaf, door migratie van mensen en handel in goederen. Na 1980 is de global culture ook achter de Nederlandse dijken overheersend geworden. Definiëring van een nationale cultuur met behulp van een culturele canon lijkt dan ook een hachelijke onderneming. Niet alleen vanwege de global culture, maar ook gelet op de aanwezigheid van zelfbewuste regio’s (Friesland), overzeese gebiedsdelen en omvangrijke migrantengroepen die zich niet voor de wet, maar wel in taalgebruik en andere culturele gewoonten van de autochtonen onderscheiden. Anderzijds moet de kunstproductie ook niet helemaal worden uitgeleverd aan de internationale cultuurindustrie. Misschien lijkt het nostalgie om terug te verlangen naar de  ‘Nederlandse’ tolerantie en de duizend bloemen van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Aan de andere kant werd tolerantie, belangstelling voor experiment, hang naar vrije expressie, nieuwsgierigheid voor alternatieve trajecten en een open opstelling voor vreemde culturen toen juist iets waarmee Nederland zich in de wereldgemeenschap gunstig onderscheidde. De politiek kan tolerantie en vrijheid echter niet op eigen houtje bevorderen. Ze kan deze verworvenheden – net als het materiële erfgoed – wel een belangrijke plek geven in het cultuurbeleid.

Literatuur:

– Fenna van den Burg en Hans van Dulken (red.) Jan Kassies 1920-1995. Tussen politiek en cultuur. Amsterdam: Boekmanstudies, 1996.
– J, W Heilbron, W. de Nooy, Tichelaar (red.), Waarin een klein land. Nederlandse cultuur in internationaal verband, Amsterdam: Prometheus, 1995.
Cultuurbeleid in Nederland, Ministerie van OCW/Boekmanstudies, 2007.
– Martinus Warna Oosterbaan, Schoonheid, welzijn, kwaliteit. Kunstbeleid en verantwoording na 1945, Den Haag: SDU/Gary Schwartz, 1990.
– Roel Pots, Cultuur, koningen en democraten. Overheid & cultuur in Nederland. Nijmegen: SUN, 2000.

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht