CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Oprichting deBuren

Oprichting deBuren

04/12/2001

Al lang wordt er in politieke en culturele kringen gepleit voor een Nederlands-Vlaams centrum voor Europa in Brussel. Het bleef echter bij vage plannen. Geïnspireerd door de uitspraken van de Vlaamse minister van Cultuur, B. Anciaux, en de Nederlandse staatssecretaris voor Cultuur, R. van der Ploeg, op de Culturele Conferentie van november 1999 in Gent, besloot de Commissie voor het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland, adviesorgaan voor beide regeringen, een voorstel te laten ontwikkelen. Dat leest u hier.

Inleiding
Al lang wordt er in politieke en culturele kringen gepleit voor een Nederlands-Vlaams centrum voor Europa in Brussel. Het bleef echter bij vage plannen. Geïnspireerd door de uitspraken van de Vlaamse minister van Cultuur, B. Anciaux, en de Nederlandse staatssecretaris voor Cultuur, R. van der Ploeg, op de Culturele Conferentie van november 1999 in Gent, besloot de Commissie voor het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland, adviesorgaan voor beide regeringen, een voorstel te laten ontwikkelen. De Commissie stelde een stuurgroep in om een advies voor te bereiden. Die stuurgroep stond onder het voorzitterschap van twee vroegere ministers van cultuur: Hedy d’Ancona aan Nederlandse en Hugo Weckx aan Vlaamse kant.

De overige Nederlandse leden waren:
• Andrée van Es (gewezen directeur De Balie),
• Reyn van der Lugt (gewezen Nederlands ambassaderaad voor Culturele Zaken in de Verenigde Staten)
• Michaël Zeeman (redacteur De Volkskrant).
De andere Vlaamse leden waren:
• Paul Buekenhout (directeur Het Beschrijf),
• Jozef Deleu (afgevaardigd bestuurder en hoofdredacteur Stichting Ons Erfdeel),
• Barbara Wyckmans (directeur HET PALEIS).
De beide regeringen hadden een waarnemer in de stuurgroep: Guy Janssens, Vlaams vertegenwoordiger in Den Haag, en Frans Bijvoet, gevolmachtigd minister bij de Nederlandse ambassade in Brussel, later vervangen door Gerrit Heijkoop, ambassaderaad Politieke en Culturele Zaken. Verslaggever van de stuurgroep was Wilfried Vandaele, algemeen secretaris van de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland.

De stuurgroep kreeg als taak een zo concreet mogelijk plan uit te werken voor het oprichten van een Nederlands-Vlaams Centrum in Brussel, gericht op Europa.

Met name moest de stuurgroep nagaan:
• welke inhoud aan het centrum gegeven moet worden;
• op welke doelgroepen het centrum zich moet richten;
• welk stadsgedeelte in Brussel aangewezen is om het centrum in te planten;
• welke bestuursvorm de voorkeur verdient;
• welke financieringsbronnen beschikbaar zijn.
De stuurgroep liet zich bij het uittekenen van de krijtlijnen mede leiden door de visies die werden uiteengezet door staatssecretaris R. van der Ploeg in zijn brief van 20 juni 2001 (bijlage 1), en door minister B. Anciaux in zijn brief van 14 september 2001 (bijlage 2).

De stuurgroep vergaderde op 23 mei 2001 in Amsterdam, en op 17 september en 29 oktober in Brussel.

Verscheidene schriftelijke bronnen (bijlage 3) werden geraadpleegd en tal van deskundigen uit het veld werden geïnterviewd (bijlage 4).

De kerngedachte achter het advies is, dat een creatieve confrontatie van de Europese culturen geen vrijblijvend gebeuren is, maar dient plaats te vinden vanuit onze eigen culturele identiteit, die zich ook als zodanig moet presenteren. Vandaar dat in de voorgestelde activiteiten van het Centrum de twee elementen – het Europese debat over culturele en maatschappelijke onderwerpen en de presentatie van de taal en cultuur van Vlaanderen en Nederland – nauw met elkaar worden verbonden.

De stuurgroep heeft zich niet uitgesproken over het benodigde budget. De Commissie heeft dat wel gedaan en is van mening dat om het voorgestelde plan volledig uit te voeren, een bedrag van 1.445.000 euro nodig is op jaarbasis (zie bijlage 5: begrotingsindicatie als bijlage). Hierbij gaat de commissie uit van een integrale realisatie van het plan.

Wat de financiering betreft, sluit de commissie zich aan bij de constructie dat de Vlaamse overheid het gebouw ter beschikking stelt, en dat de werkings- en personeelskosten voor 2/3 door Nederland en voor 1/3 door Vlaanderen worden gedragen. Voor specifieke projecten kan afgeweken worden van deze verdeelsleutel en kan er ook een Europese en particuliere inbreng komen.

Waarom een Nederlands-Vlaams centrum in Brussel?
Als Europa belang hecht aan de culturele verscheidenheid, zoals o.m. gesteld in het Verdrag van Maastricht (art. 128) en het Verdrag van Amsterdam (art. 151), dan is het van belang dat de Europeanen geïnformeerd worden over elkaars cultuur en dat de verschillende culturen – en talen als belangrijkste dragers van de cultuur – met elkaar geconfronteerd worden.

In dit proces van informatie, confrontatie en communicatie, dienen Nederland en Vlaanderen in Brussel met de Europese partners brede en verdiepende gesprekken en uitwisselingen te organiseren over culturele en maatschappelijke onderwerpen. Hiertoe wordt een centrum opgericht dat tevens de cultuur, taal en samenleving van Nederland en Vlaanderen presenteert aan Europa.

Bij het nemen van dit initiatief laten Nederland en Vlaanderen zich inspireren door:
• de vaststelling dat Nederland, Vlaanderen, en in hoge mate ook Brussel, steeds een vrijhaven zijn geweest voor nieuwe ideeën en mensen. Noch de Nederlandse, noch de Vlaamse gemeenschap stelden zich in de loop van de geschiedenis cultuurimperialistisch op. Zij stonden integendeel steeds open voor de verrijking door andere culturen;
• het gegeven dat de Nederlands-Vlaamse cultuur – gedragen door een middelgrote taal in Europa, het Nederlands – een rol speelt in de discussie over schaalvergroting versus schaalverkleining, regionalisering versus mondialisering, eenmaking versus verbrokkeling, uniformisering versus verscheidenheid.
Dat uitgerekend Nederland en Vlaanderen een op Europa gericht cultureel initiatief nemen, heeft in de internationale context een bijzondere betekenis. Een staat en een deelstaat van een andere staat werken grensoverschrijdend samen. De problematiek van verzelfstandigde regio’s en hun verhouding tot de (andere) staten en tot de Europese instellingen is volop actueel en zal in een zich uitbreidende Europese Unie in de toekomst nog aan actualiteit winnen.

Dat twee regeringen – de Nederlandse en de Vlaamse – samen verantwoordelijk zijn voor een zelfde taal en daar zelfs een transnationaal verdrag over hebben gesloten -het Taalunieverdrag (1980)- kan inspirerend zijn voor Europa. Ook andere taalgebieden zijn immers staatsgrensoverschrijdend.

Tussen Nederland en Vlaanderen bestaat bovendien een intense culturele samenwerking, ook wat de niet-talige cultuur betreft. In dat kader werd in 1995 het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland ondertekend, waarvan artikel 4 stelt: “De Verdragsluitende Partijen streven naar samenwerking in en met derde landen”. In de inleiding tot het verdrag wordt met nadruk gesteld dat de partijen worden “geleid door de wil de culturele samenwerking in de ruimste zin te bevorderen en te ontwikkelen alsmede in dit kader internationaal gezamenlijk op te treden”.

Plaats
Brussel is de enige meertalige en interculturele stad in de Europese Unie waar het Nederlands – naast het Frans – een officiële status heeft. De zetel van de meeste Europese politieke en administratieve instellingen en vertegenwoordigingen van tal van andere internationale instanties en multinationale bedrijven zijn er gevestigd. Naar schatting 125.000 buitenlanders verblijven tijdelijk – doorgaans enkele jaren om beroepsredenen – in Brussel. 15% van de bevolking bestaat uit Europese buitenlanders, 15% uit niet-Europese buitenlanders. Brussel is mede daardoor een uniek centrum voor dialoog en confrontatie van culturen en talen.

Het Nederlands-Vlaamse centrum moet een dynamisch onderdeel vormen van het Brusselse stedelijke sociaal-culturele weefsel. Het dient geïntegreerd te zijn en te wortelen in de stad en alle bevolkingsgroepen dienen actief betrokken te worden bij de werkzaamheden van het centrum. Aangezien de Nederlandstalige cultuuruitingen niet zonder meer toegankelijk zijn voor vele migranten en buitenlandse gasten, zal het centrum zich ook bedienen van andere talen, minstens het Engels en het Frans.

Als het centrum in het stedelijke weefsel verweven moet zijn, wordt het bij voorkeur niet gesitueerd in de Europese wijk of buiten de stadskern, maar in de “vijfhoek”. In dit levende culturele hart van Brussel zijn al heel wat culturele instellingen aanwezig, o.a. het Kaaitheater, de Beursschouwburg, de Ancienne Belgique, De Markten, de hoofdstedelijke bibliotheek, het Paleis voor Schone Kunsten, de Koninklijke Muntschouwburg.

De stuurgroep pleit voor een afzonderlijk gebouw voor het Nederlands-Vlaamse Centrum, zodat het duidelijk herkenbaar is. Het centrum kan desgewenst op zijn beurt onderdak bieden aan initiatieven en organisaties die passen in de doelstellingen van het centrum (zoals ook De Balie in Amsterdam dat doet).

De stuurgroep verwijst hier naar het informatiecentrum van Brussel 2000, dat door zijn informele sfeer ook veel jongeren en allochtonen over de drempel haalde.

Opdrachten
Het centrum heeft drie kerntaken, die nauw met elkaar verweven zijn: debat en ontmoeting initiëren en organiseren, informeren, en presenteren. Bij elk van de functies wordt aangegeven wat de gevolgen zijn voor de accommodatie.

Debat en ontmoeting
Het centrum moet, buiten het institutionele kader, een forum bieden om van gedachten te wisselen over actuele culturele en maatschappelijke vraagstukken die zich met name in Europa aandienen. Alle mogelijke geïnteresseerden – schrijvers en vertalers, theater- en filmmakers, beeldende kunstenaars, architecten, musici, dansers, denkers, opiniemakers, journalisten en anderen – kunnen er elkaar ontmoeten, formeel en informeel. Er kan worden gepraat, gediscussieerd, gelezen, nagekaart, vergaderd, gebrainstormd, geïnterviewd, en radio en televisie worden gemaakt.

Nederland en Vlaanderen treden als gastheer op en voeren de regie, maar andere landen en cultuurgemeenschappen nemen actief deel aan het debat. Hiertoe wordt een netwerk ontwikkeld, waarin o.a. worden opgenomen: verenigingen van buitenlanders, buitenlandse ambassades, buitenlandse culturele instituten (bv. British Council) en organisaties in Nederland, Vlaanderen en Brussel die toonaangevend zijn wat gedachtewisseling over actuele onderwerpen betreft (b.v. De Balie en Felix Meritis Amsterdam, De Unie Rotterdam, Nexus Tilburg, Nederlands Gesprekscentrum, Stichting Lodewijk de Raet, de Nederlandse Open Gespreksgroep, Het Beschrijf).

Hiervoor beschikt het centrum over een auditorium en een polyvalente (studio)zaal, evenals over enkele kleinere vergaderzalen.

Het centrum kan deelnemen aan initiatieven en projecten in Europees verband die voor de cultuur en het culturele leven in Nederland, Vlaanderen/Brussel en de diverse Europese regio’s van belang zijn. Het kan ook gastvrijheid bieden aan initiatieven die de confrontatie tussen de verschillende Europese culturen, talen en samenlevingen stimuleren. Het kan het debat naar aanleiding hiervan op gang brengen. Aldus wordt het centrum een medium en een knooppunt.

Het centrum moet tevens een ontmoetingsplaats zijn voor buitenlanders en niet-Nederlandstaligen die meer willen weten over de cultuur van Nederland en Vlaanderen, in relatie en confrontatie met hun eigen cultuur en de culturen van andere Europese landen en regio’s.

Opdat vertegenwoordigers van verschillende culturen elkaar ook informeel kunnen ontmoeten, moet het centrum over een aangepast en goed uitgerust horecagedeelte beschikken. Dat zal ook de levendigheid van het centrum bevorderen.

Informatie en dienstverlening
Om het Europese cultuurdebat op gang te brengen en de confrontatie en de uitwisseling met andere culturen mogelijk te maken, dient het centrum informatie over de Nederlandse taal en de Nederlands-Vlaamse cultuur en samenleving in verschillende vormen en talen aan te bieden aan diverse doelgroepen.

Om de informatie te verzamelen, wordt een netwerk uitgebouwd van personen, producenten en organisaties op het brede terrein van de cultuur in Europa. Het centrum behandelt vanzelfsprekend de cultuur van Nederland en Vlaanderen in al haar facetten: taal en letteren, onderwijs en wetenschappen, kunsten (podiumkunsten, beeldende kunsten, architectuur, film en vormgeving), cultureel erfgoed, sociaal-culturele activiteiten, levensbeschouwing en religie, media, en organisatie van de samenleving.

Het centrum komt niet in de plaats van of in concurrentie met andere initiatieven, maar is het knooppunt van een cultureel netwerk dat gevoed wordt door de bestaande initiatieven in Europa en in het Nederlandse taalgebied.

Het is een contactadres, waar iedereen die dat wenst aan informatie wordt geholpen. Over culturele programma’s, over kunstenaars, over de taalpromotionele activiteit, over actuele artistiek-culturele, sociaal-culturele, maatschappelijke en ethische kwesties voor zover ze de inzet kunnen zijn van een publiek debat. De infobalie heeft een eigen databestand, maar vervult ook een doorverwijsfunctie.

Het centrum kan een rol spelen in de gastvrije ontvangst van buitenlanders, in het bijzonder van personen uit landen die op korte termijn willen toetreden tot de Europese Unie. Informatie verstrekken over de mogelijkheden om onderwijs Nederlands voor anderstaligen te volgen, hoort bij de taken.

Om deze functies te kunnen vervullen, dient het centrum over voldoende kantoorruimten, een onthaalbalie, een documentatie- en informatieruimte en een lees- en computerzaal te beschikken. Een thematische boekenstand of eventueel een boekenwinkel speelt in op de actuele activiteiten van het centrum. Er is een leestafel met een ruim aanbod van tijdschriften en kranten, eventueel in combinatie met het horecagedeelte.

Presentatie
Het centrum wil zich presenteren als:
• “Een podium voor mensen met ideeën” Het centrum nodigt auteurs en vertalers uit, denkers, opinie- en beleidsmakers, journalisten, of andere mensen met een visie op maatschappelijke, culturele of artistieke kwesties.
• “Een podium voor nieuwe publicaties” Nieuwe publicaties – fictie, non-fictie, proza, poëzie, toneelliteratuur, essay – worden voorgesteld. De actualiteit staat hier centraal.
• “Een podium voor artistieke ontgrenzing”
De kruisbestuiving tussen literatuur, muziek, film, beeldende kunsten, theater en dans mag geen doel op zichzelf zijn, maar kan boeiende en verrassende perspectieven openen, ook al omdat zij veelal voor controverse zorgt.

De presentatie van Nederlandstalige media, tentoonstellingen, concerten e.a. moet in het centrum plaats kunnen hebben als het om kleinschalige initiatieven gaat die in het reguliere circuit moeilijk ingepast kunnen worden. Het is niet de bedoeling op een actieve wijze eigen programmering op dat gebied uit te werken.

Het centrum zal niet zozeer zelf als concertorganisator of theaterproducent optreden, maar zoveel mogelijk de aandacht vestigen op initiatieven van anderen en participeren in die initiatieven.

Voorbeelden van creatieve activiteiten kunnen zijn:
• “De club van Brussel” Deze kleine, steeds wisselende groep, gaat in op een actueel thema, een onderwerp dat een maatschappelijke uitdaging vormt. De club is er voor het ontdekkende gesprek onder gelijken (niet: onder gelijkgestemden). De club is een ware denktank. Hier wordt de controverse opgezocht en worden gedachten gegenereerd.
• Workshops In het centrum wordt gewerkt en geëxperimenteerd. Door theatermakers, schrijvers, vertalers. Door amateurs en professionelen. Door jongeren die begeleid worden door mensen met ervaring en kennis van zaken.
Doelgroepen
Het centrum wil activiteiten ontplooien die op een zo breed mogelijk publiek zijn gericht. Intermediaire doelgroepen nemen een belangrijke plaats in. Het heeft een gering establishmentgehalte. Bijzondere aandacht gaat naar jongeren en minder kansrijke gemeenschappen.

Accommodatie
Op basis van de kerntaken is er minimaal ruimte nodig voor een infobalie (gelijkvloerse verdieping), een documentatie- en informatieruimte met computerhoek en boekenstand, enkele vergaderlokalen (een drietal) en kantoorruimte voor het eigen personeel van het centrum (een achttal kantoren).

Onmisbaar zijn ook een polyvalente (studio)zaal en een auditorium waar eigen kleine manifestaties en debatten kunnen worden georganiseerd, waar derden gebruik van kunnen maken voor activiteiten die passen bij het profiel van het centrum, en waar radio- en tv-producties kunnen worden opgenomen en uitgezonden.

Ook een horecagedeelte hoort bij het centrum, bij voorkeur op de gelijkvloerse verdieping.

Het kan een optie zijn dat overheidsorganisaties en particuliere organisaties die inzake activiteiten en doelstellingen passen in het concept van het centrum, er ruimte huren. Dat zou de levendigheid van het centrum nog bevorderen.

Bestuurlijke structuur
In de dagelijkse werkzaamheden moet het centrum “op afstand” staan van de overheid.

Het centrum zou naar Belgisch recht de juridische vorm van een vzw (vereniging zonder winstoogmerk, te vergelijken met een Nederlandse “stichting”) of een instelling van openbaar nut kunnen krijgen.

Het bestuur is paritair samengesteld uit Nederlanders en Vlamingen en is verantwoordelijk voor het algemene beheer van het centrum.

Om het centrum inhoudelijk te begeleiden, kan een stuurgroep of een adviesraad worden ingesteld.

De Nederlandse regering en de Vlaamse regering, evenals de Nederlandse Taalunie en het Cultureel Verdrag, hebben een waarnemer in de bestuursstructuur van het centrum.

Financiering
De belangrijkste financieringsbron is de overheid.

De Vlaamse overheid kan het gebouw ter beschikking stellen, een derde van het personeel en de werkingskosten betalen en een financiële bijdrage leveren voor projecten.

De Nederlandse overheid kan twee derde van het personeel en de werkingskosten betalen en eveneens een bijdrage leveren voor projecten.

De Europese overheid kan medefinancieren wat projecten betreft.

De particuliere sector (bedrijfsleven, particuliere fondsen en organisaties) kan projectmatig een inbreng hebben en bv. het horeca- en boekengedeelte voor zijn rekening nemen.

Personeel
De vaste personeelskern bestaat minimaal uit een coördinator, enkele stafmedewerkers / vertalers-tolken en administratieve medewerkers.

Daarnaast worden er ad hoc projectmedewerkers ingeschakeld.

De taken van de vaste medewerkers zijn:
• uitbouwen van een “netwerk buitenland” (=buitenlanders en buitenlandse instellingen en organisaties intra en extra muros) en van een “netwerk binnenland”(=Nederlandse en Vlaamse instellingen en organisaties)
• organiseren van de eigen activiteiten en medewerking verlenen aan activiteiten van derden
• exploiteren en beheren van de infrastructuur
• verzamelen, stroomlijnen, bewerken, aanbieden en verspreiden van informatie in een aangepaste vorm en in verschillende talen
• begeleiden van mensen die specifieke informatie zoeken.
Ad hoc projectmedewerkers kunnen in de opstartfase worden ingezet voor:
• aanmaken van een culturele databank
• aanmaken van adressenbestanden
• bijhouden, i.s.m. anderen, van een actuele kalender
• organiseren van de eigen activiteiten en medewerking verlenen aan activiteiten van derden.
De taken van het administratief personeel zijn:
• adressenbestanden invoeren en bijhouden
• beheren en verhuren van de accommodatie
• boekhouding bijhouden
• materieel voorbereiden en verzenden van publicaties
• eerstelijnsinformatie verstrekken
Het horeca- en boekengedeelte kunnen worden uitbesteed.
________________________________________

BIJLAGE 1

Brief Staatssecretaris F. van der Ploeg
Op 20 juni 2001 schreef F. van der Ploeg, Nederlands staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, de volgende brief aan de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland:

“Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het feit dat de Commissie voor het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland thans een begin heeft gemaakt met de beraadslagingen om te komen tot een nader advies inzake een Vlaams-Nederlands Huis. De stuurgroep die u daartoe in het leven hebt geroepen verdient qua samenstelling alle respect.

Ik veroorloof mij u en de stuurgroep enkele gedachten mee te geven ten aanzien van de Nederlands-Vlaamse samenwerking op dit punt. Gedachten die ik tijdens de culturele conferentie van Gent (november 1999) in rudimentaire vorm heb gepresenteerd. Ik doe dat om te voorkomen dat het door de stuurgroep te verstrekken advies voorbij gaat aan de ambities die ik indertijd in Gent uiteen heb gezet en die wat mij betreft nog steeds voorop dienen te staan.

Allereerst gaan mijn gedachten t.a.v. een Vlaams-Nederlands Huis bepaald niet in eerste instantie in de richting van vier muren en een pannendak, en al evenmin in de richting van een opzet die uitsluitend beperkt is tot de Vlaams-Nederlandse culturele betrekkingen.

Zoals ik eerder uiteen heb gezet (meest recent in een interview met de VRT-radio) denk ik in de eerste plaats aan een platform voor het Europese culturele debat, enigszins vergelijkbaar met de functie zoals een instelling als De Balie in Amsterdam die vervult binnen Nederland. Het zou naar mijn mening vooral moeten gaan om een gezamenlijk Vlaams-Nederlands initiatief voor het creëren van een Europese publieke ruimte, waar het cultuur-politieke debat wordt gevoerd over Europese eenwording én diversiteit.

Een dergelijk cultureel tegenwicht tegen ‘het Europa van bankiers en industriëlen’ is nodig om tenminste iets te doen aan het democratische én culturele deficit in Europa en aan de dominantie van politieke, economische en monetaire ontwikkelingen, ook die welke spelen in het onderlinge verkeer tussen lidstaten, aan de orde kunnen komen via studie, debat, programmering en media-uitstraling.

Vlaanderen én Nederland zouden naar mijn overtuiging met het ontwikkelen van zo’n initiatief veel eer kunnen inleggen in Europa. Ik meen dat men ook binnen de Europese Commissie en binnen het Europees Parlement op zoek is naar een dergelijke culturele functie. Een advies van de kant van uw Commissie zou daarvoor waardevolle bouwstenen kunnen aandragen mist op goede wijze aansluiting kan worden gevonden bij een bredere Europese belangstelling.

Ik hoop daarom dat uw commissie een advies zal uitbrengen dat uitgaat van een dergelijke functie die ziet op het bredere Europese perspectief, waarbinnen zowel Vlaanderen als Nederland -net zoals de andere, ook de toekomstige lidstaten van de EU- hun gemeenschappelijke culturele belangen kunnen herkennen. Ik heb er vanzelfsprekend geen bezwaar tegen als u mijn standpunt aan de stuurgroep meedeelt.

In een eerder stadium heb ik mijn Vlaamse collega, de heer Bert Anciaux, deelgenoot gemaakt van mijn ideeën. Ik heb hem ook een afschrift toegezonden van deze brief.”

BIJLAGE 2

Brief Minister B. Anciaux
Op 14 september 2001 schreef B. Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport, Brusselse Aangelegenheden en Ontwikkelingssamenwerking, de volgende brief aan de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland:

“Zoals mijn Nederlandse collega waardeer ik de inspanningen die de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland thans levert voor het tot stand komen van een advies over een Vlaams-Nederlands Huis te Brussel. Ik wens de stuurgroep dan ook vruchtbare arbeid en resultaat toe.

De standpunten die mijn collega aan u richtte zijn me bekend en onderschrijf ik in hun essentie voor wat de intrinsieke doelstellingen betreft volledig. Een gezamenlijke, effectieve en inspirerende bijdrage van Vlaanderen en Nederland in het Europese cultuurdebat zou in de Brusselse context een krachtige motor zijn om de uitdagingen die de Europese eenwording aan de culturele diversiteit van ons continent stelt, voortdurend op de agenda te plaatsen.

Toen ik het initiatief nam om de Brusselse bioscoop Pathé Palace/Kladaradatsch aan te kopen, was het net mijn bedoeling deze levendige plek in de stad aan te bieden om deze basisdoelstelling op een dynamische wijze te realiseren. Daarbij is het beeld van De Balie, zowel in zijn internationale aanpak, in zijn stedelijke inbedding als in zijn maatschappelijke sérieux voor mij een richtbeeld geweest. Voor de moeilijkheden, die zijn ontstaan door het opbod dat de Franse Gemeenschap door haar parallelle verwerving van dit pand heeft tentoongespreid, voel ik me niet verantwoordelijk. Ze hebben echter mijn doelstelling jammer genoeg in een onaangenaam daglicht geplaatst. Ik wacht alleszins het juridische vervolg af om de haalbaarheid voor een concrete realisatie van een Europees Vlaams-Nederlands Huis in dit pand verder te overwegen. Uit deze démarches blijkt dat ik wél meen dat een herkenbare plaats in Brussel een betekenis heeft voor de realisatie van onze doelstellingen en dat een uitsluitend netwerkgerichte aanpak een minder krachtdadig resultaat zou boeken.

Ik geef nog een andere nuancering op het standpunt van mijn collega.
Ik ben van mening dat waneer we bovenstaande Europees gerichte doelstellingen wensen te realiseren, we dit moeten doen in een omkadering, die ook onze gezamenlijke Vlaams-Nederlandse mogelijkheden in het daglicht stelt. Dat kan een gevatte presentatie- en promotieaanpak inhouden, maar ook een proactieve dienstverlening voor het Nederlands, gericht op de internationale gemeenschap te Brussel, inclusief wat de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren een diligent flankerende aanpak voor de positie van het Nederlands in de Europese instellingen noemt.

Het is mijns inziens net deze omkadering die de eigenheid van de Lage Landen in het Europese referentiekader kan blijven beklemtonen.
Mij lijkt het dan ook wenselijk dat de Commissie ook hiervoor concrete en haalbare voorstellen formuleert.

Ik kijk met nieuwsgierigheid uit naar uw advies en hoop met u dat we dan ook op een redelijke termijn tot de daad zullen kunnen overgaan.”

BIJLAGE 3

Schriftelijke bronnen
• Diverse artikelen die de voorbije jaren zijn verschenen in dagbladen, weekbladen en tijdschriften.
• De teksten van de toespraken van minister B. Anciaux en staatssecretaris R. van der Ploeg op de culturele conferentie van november 1999 (Gent).
• Ontwerpteksten van P. Bueckenhout (Het Beschrijf) m.b.t. een “huis voor de letteren”.
• De rapporten van het Algemeen
• Nederlands Congres (1992 en 1996).
• Het rapport dat I. Goris in 2000 opstelde ten behoeve van minister B. Anciaux.
• De verhandeling van Meral Diepeveen (1999).
• De verhandeling van S. Hoonhout en R. Puyenbroek (1996).
• Diverse rapporten en notities van de Vaste Gemengde Commissie ter Uitvoering van het Belgisch
• Nederlands Cultureel Verdrag en documenten m.b.t. het buitenlands beleid van de Nederlandse overheid en van de Vlaamse overheid.
• Brochures, activiteitenverslagen van De Balie, British Council, De Brakke Grond e.d.
BIJLAGE 4

Interviews
Met de volgende personen werd gesproken over hun soms sterk uiteenlopende visies m.b.t. het project:
• Inez Boogaarts, directeur SICA.
• Jari Demeulemeester, directeur Ancienne Belgique.
• Dick de Ruijter, gewezen directeur O42 in Nijmegen, projectleider Erasmus 2001.
• Paul Dujardin, intendant Philharmonische Vereninging en toekomstig intendant Paleis voor Schone Kunsten.
• Georges Dumortier, directeur Centre Culturel Wallonie
• Bruxelles Le Botanique (Brussel).
• Erwin Eysackers, 11 julicomité en Sociaal
• Economische Raad voor Vlaanderen (SERV).
• Ivo Goris, administratie Cultuur, ministerie Vlaamse Gemeenschap.
• Antonios Kosmopoulos, diensthoofd Cultuur Europese Commissie.
• Joost Lagendijk, Nederlands lid Europees Parlement (Groen Links).
• Liesbeth Levy, directeur De Unie Rotterdam.
• Frie Leysen, artistiek directeur Kunstenfestival des Arts.
• Guido Minne, directeur vzw Cultuurcommunicatie Brussel.
• Relinde Raeymaeckers, hoofdstedelijke bibliotheek Brussel.
• Martin Rose, directeur British Council in Brussel.
• Bert Schampers, correspondent Trouw in Brussel.
• Cas Smithuijzen, directeur Boekmanstichting.
• Georges Strasser, gewezen gevolmachtigd minister Nederlandse ambassade Brussel en gewezen directeur van het Institut Neérlandais in Parijs.
• Marjory van den Broeke, medewerkster Europees parlement.
• Hugo Van den Driessche, directeur Kaaitheater (Brussel).
• Bert van Meggelen, intendant Rotterdam Culturele Hoofdstad
• Guido Vereecke, directeur Vlaams Cultuurhuis De Brakke Grond (Amsterdam).
• Rudi Wester, directeur Literair Productie
• en Vertalingenfonds.
• Els Witte, gewezen rector Vrije Universiteit Brussel.
BIJLAGE 5

Begrotingsindicatie
UITGAVEN EURO
VAST PERSONEEL 500.000
PROJECTMEDEWERKERS 150.000
MANIFESTATIES 370.000
WERKINGSKOSTEN 75.000
COMMUNICATIE 125.000
MATERIELE KOSTEN PROJECTEN 125.000
HUISVESTING PM
EXPLOITATIEKOSTEN 100.000
TOTAAL 1.445.000

INKOMSTEN EURO
NEDERLANDSE OVERHEID (1) 830.000
VLAAMSE OVERHEID (2) 473.334
EUROPESE OVERHEID (3) 45.833
PARTICULIERE MIDDELEN (4) 45.833
VERHUREN AAN DERDEN (5) 50.000
HUISVESTING (6) PM
TOTAAL 1.445.000

(1) De Nederlandse overheid betaalt 2/3 van de kosten voor het vast personeel, van de werkingskosten en de kosten voor manifestaties en communicatie (= 713.333 euro). Van de kosten voor exploitatie van het gebouw (onderhoud, water, energiekosten …) kan 1/2 gecompenseerd worden via het verhuren aan derden (= 50.000 euro). Nederland neemt 1/4 van die kosten voor zijn rekening (= 25.000 euro). Van de projectkosten (projectmedewerkers en materiële kosten projecten) betaalt de Nederlandse overheid 1/3 (= 91.667 euro).

(2) De Vlaamse overheid betaalt 1/3 van de kosten voor het vast personeel, van de werkingskosten en de kosten voor manifestaties en communicatie (= 356.667 euro). Vlaanderen betaalt 1/4 van de exploitatiekosten (= 25.000 euro). Van de projectkosten betaalt Vlaanderen 1/3 (= 91.667 euro).

(3) en (4) De Europese overheid en de particuliere sector betalen elk 1/6 van de projectkosten (= samen 91.667 euro).

(5) Via het verhuren aan derden wordt 1/2 van de exploitatiekosten gecompenseerd.

(6) De Vlaamse overheid stelt kosteloos het gebouw ter beschikking.
Op 31 mei 2002 stuurde F. van der Ploeg, Nederlands staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het volgende antwoord:

“Graag wil ik u op de hoogte stellen van de inhoud van mijn brief aan mijn Vlaamse collega, de heer B. Anciaux, over het Vlaams-Nederlands Centrum voor Europa in Brussel.

Het doet mij genoegen u te kunnen meedelen dat de heer Anciaux en ik elkaar zijn genaderd op een belangrijk punt, de functie van het Centrum. Op grond van de insteek die hem nu voor ogen staat, namelijk dat Vlaanderen en Nederland zich als gezamenlijke cultuurgemeenschap richten naar Europa, kan ik mij thans vinden in de verdere invulling en concretisering van het Centrum. Ik moet hierbij echter nog aantekenen dat het Nederlandse parlement zich zeker nog zal willen uitspreken over een Vlaams-Nederlands Centrum.

Op dit moment heb ik nog een aantal praktische vragen, onder andere over het recentelijk aangekochte pand in Brussel en het financiële kader. Ik heb mijn collega om nadere informatie gevraagd. Op basis van nadere gegevens kan mijn staf in overleg ook met collega’s van het departement van Buitenlandse Zaken verder werken aan volgende stappen en stel ik mij voor dat we in een later stadium nog eens verder brainstormen met een aantal deskundigen over de precieze invulling van de debatfunctie van het Centrum.

Ik houd u op de hoogte van verdere ontwikkelingen.”
Op 24 juni 2004 werd in Brussel, aan de Leopoldstraat 6, vlakbij de Muntschouwburg, het “Nederland-Vlaams huis voor Europa” plechtig geopend. De Nederlandse staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Medy van der Laan, haar collega van Europese zaken Atzo Nicolaï en de Vlaamse minister van Cultuur Paul van Grembergen hadden even voordien een “memorandum van overeenstemming” ondertekend. Via een wedstrijd werd in het voorjaar van 2004 gezocht naar een naam voor het huis. De keuze viel op “deBuren”.

Bronnen

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht