CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

Culturele dimensie van de omroep in Europa

Culturele dimensie van de omroep in Europa

14/10/2000

De werkgroep Media van de Commissie voor het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland formuleerde op de Culturele Conferentie van 26-27 november 1999 in Gent ondermeer als aanbeveling samen te werken om het Europees beleid en de regelgeving op het snijvlak van media, mededinging en telecommunicatie op adequate wijze te beïnvloeden. De Commissie wees op de noodzaak tot eendrachtig optreden ten aanzien van de interpretatie door de Europese Commissie van het Protocol van Amsterdam over de financiering van de publieke omroep. Hieraan wordt toegevoegd de noodzaak tot samenwerking op het gebied van de handhaving van de wederzijdse doorgifteplicht van de Nederlandse en Vlaamse publieke zenders. De werkgroep gaf de aanbeveling dat de Nederlandse en Vlaamse overheid in de verdediging hiervan richting de Europese overheid kunnen wijzen op het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland en op het Taalunieverdrag.

Hoe relevant deze aanbevelingen zijn, blijkt uit de ontwikkelingen sinds de Culturele Conferentie in Gent. Het Franse voorzitterschap van de Europese Unie heeft het initiatief genomen tot een conferentie over de Europese publieke omroep in een tijdperk van economische en technologische verandering (Rijsel, 19-20 juli 2000). In deze conferentie en daaropvolgende bespreking in de informele ontmoeting van Europese cultuur- en mediaministers (Rijsel, 20-21 juli 2000) bleek dat in veel lidstaten bezorgdheid bestaat over de juridische onzekerheid die voortduurt over de financiering van de publieke omroep.

Nederland stelde zich overigens op het standpunt dat eerst de beslissingen van de Europese Commissie afgewacht dienden te worden op basis van het Protocol, respectievelijk de uitspraken van het Europees Hof indien de beslissingen van de Europese Commissie zouden worden bestreden. De conferentie leidde echter tot de conclusie dat een dialoog tussen de lidstaten en de Europese Commissie wenselijk was over de taakopdracht en financiering van de publieke omroep. Daarin zou kunnen worden besproken wat de algemene principes van de lidstaten zijn met betrekking tot de publieke omroep ten aanzien van de financiering en welke juridische instrumenten het meest geschikt zijn om het huidige juridische kader te verduidelijken.

Daartoe is een ambtelijke, informele werkgroep enkele keren bijeengekomen te Parijs. Uit deze dialoog is inmiddels gebleken dat het Directoraat-generaal voor Mededinging van de Europese Commissie een nieuwe poging overweegt om zogenaamde richtsnoeren op te stellen. Het meest opzienbarende onderdeel daarin zou een beperking van het aandeel in de financiering van de openbare omroep zijn dat afkomstig is van reclame.

Dit idee is door de lidstaten zeer kritisch ontvangen. Nederland heeft gewezen op het ondemocratische karakter van vastlegging van een dergelijke beperking in richtsnoeren (waar het reclameregime reeds geregeld is in Europese wetgeving) en de noodzaak in kleine landen om de publieke omroep mede uit reclame te financieren. Daarbij kan in Nederland nauwelijks van concurrentievervalsing op de nationale markt worden gesproken, omdat de commerciële zenders veelal worden geëxploiteerd door buitenlandse mediaconcerns zoals SBS en RTL. De publieke omroep is in dergelijke landen van cruciaal cultureel belang.

Vooralsnog heeft geen bilateraal overleg plaatsgevonden tussen de Nederlandse en Vlaamse overheid over de laatste ontwikkelingen. Op 31 oktober 2000 zal te Brussel in het zgn. Multilaterale Steun Overleg worden gesproken over een ontwerp van de Commissie voor de genoemde richtsnoeren, waarna tijdens de Raad van EU-ministers voor cultuur en audiovisueel op 23 november a.s. verder gesproken wordt over deze thematiek, die van grote betekenis is voor de toekomstige positie van de publieke omroep en daarmee voor het aanbod van hoogwaardige culturele programmering. Dit geldt temeer voor Nederland en Vlaanderen, gezien de omvang van de kijkers- en luisteraarsmarkt.

Ook op het gebied van de doorgifteplicht heeft een ontwikkeling op Europees niveau plaatsgevonden. De Europese Commissie heeft zes voorstellen gepresenteerd die beogen het huidige regelgevend kader voor telecommunicatie te vervangen. Eén voorstel betreft de universele dienst en gebruikersrechten. Dit voorstel bevat nieuwe bepalingen over de evenredige vergoeding voor netwerkexploitanten die programma’s van de openbare omroep moeten doorgeven. Dit voorstel zal naar het zich laat aanzien niet voor januari 2001 in raadskader worden behandeld. De eerste beoordeling in Nederland is dat dit voorstel niet op bezwaren stuit.

Wel bevatten de commissievoorstellen benamingen die het Nederlandse beleid gericht op een open toegang tot de kabel voor internetproviders, kunnen doorkruisen. De Nederlandse bezwaren betreffen de definitie van het begrip “aanmerkelijke marktmacht” en de mogelijkheid tot regulering in beginnende markten. Deze thematiek overstijgt echter door zijn aard duidelijk de aanbeveling die de werkgroep Media in 1999 aan de Commissie voor het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland heeft voorgelegd.
Vroege bilaterale afstemming tussen Nederland en Vlaanderen, voorafgaand aan de behandeling van het voorstel inzake must-carry regelingen, is echter zeker gewenst. Wellicht zou, in aansluiting op de activiteiten in België op dit gebied*, in bredere zin over de toekomst van de kabeldistributie kunnen worden gesproken.

Rekening houdend met de hoger geschetste stand van zaken, beveelt de Commissie aan dat de verantwoordelijke Nederlandse en Vlaamse ministers op korte termijn – bij voorkeur voor de Cultuurraad van 23 november a.s. – bilateraal overleggen om te komen tot een gezamenlijke strategie met betrekking tot zowel de positie van de publieke omroep in de Europese Unie, als de behandeling op Europees niveau van de must-carry regelingen. Hierbij moet er in ieder geval van worden uitgegaan dat cultuur een onderdeel is en blijft van het takenpakket van de publieke omroep, en dat de publieke omroep minstens voor een deel met publieke middelen moet worden gefinancierd.

*Op 10 januari 2000 organiseerden de Federale Diensten voor wetenschappelijk, technische en culturele aangelegenheden een studiedag met als thema “Welke toekomst voor kabeldistributie?” Een publicatie hiervan is te lezen op de website www.belspo.be

Gevolg
In een brief van 22 november 2000 laat staatssecretaris Van der Ploeg aan CVN weten dat hij dringend met zijn Vlaamse collega wil overleggen. De Vlaamse minister Van Mechelen meldt in een brief van 27 november 2000 dat hij eveneens bereid is tot overleg.

CVN bleef aandacht besteden aan het thema “omroep en cultuur”, o.m. in het advies “Samenwerking openbare omroepen Nederland-Vlaanderen” van 15 december 2005.
Op 24 november 2006 organiseerde CVN in Brussel een themadag over “Cultuurkanalen in Nederland en Vlaanderen”.

Download hier het volledige advies.

Bronnen

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht