CVN - Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen - Nederland

EU

Europese cultuurparagraaf

25/01/2002

De Commissie voor het Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland evalueerde op haar vergadering van 25 januari 2002 de Europese Cultuurparagraaf vanuit Nederlands-Vlaams perspectief. Vervolgens keurde de commissie een advies goed dat werd aangeboden aan de Nederlandse en Vlaamse bewindslieden die verantwoordelijk zijn voor Cultuur, Media, Onderwijs en Buitenlandse Aangelegenheden.

De commissie stelt enerzijds vast dat de Europese Cultuurparagraaf de lidstaten de mogelijkheid biedt hun cultuur of culturen te beschermen en te stimuleren. Dat Vlaanderen en Nederland een aantal mogelijkheden om samen te werken onbenut laten, is niet het gevolg van een gebrekkig functioneren van de cultuurparagraaf.
Anderzijds zijn er sommige vaststellingen die aanleidingen geven tot bezorgdheid, vindt de commissie. De cultuurparagraaf zoals hij vandaag door Europa zelf wordt toegepast, draagt onvoldoende en in ieder geval niet actief bij tot het beschermen en stimuleren van de verschillende cultuurgemeenschappen en dus van de culturele verscheidenheid in Europa. Een Europees programma als “Cultuur 2000” bevordert de facto noch de culturele verscheidenheid, noch de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen.

De commissie besteedde ook aandacht aan de ruimere context van de internationale regelgeving m.b.t. culturele verscheidenheid. Zo zijn er de aangekondigde Europese Grondwet en de afspraken op het niveau van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation, WTO), waar de Europese afspraken aan ondergeschikt zijn.

Advies van de commissie
De commissie vraagt dat de bevoegde bewindslieden in Nederland en Vlaanderen:
1. op korte termijn nagaan in hoeverre met een scherpere interpretatie van de huidige tekst een betere uitvoeringspraktijk kan worden bereikt. De huidige toepassing van de cultuurparagraaf brengt met zich mee dat Europa zich in het beste geval passief opstelt en gedoogt dat de lidstaten een eigen cultuurbeleid voeren.
Een scherpere interpretatie moet ertoe leiden dat Europa actief bijdraagt tot de culturele verscheidenheid. Zo moeten bv. de Europese culturele programma’s ook bilaterale culturele projecten ondersteunen – zoals die tussen Nederland en Vlaanderen – i.p.v. enkel multilaterale. Dat biedt betere kansen aan kleinere cultuurgebieden zoals het Nederlandse, dat zich slechts over twee lidstaten uitstrekt;

2. mocht de in (a) genoemde scherpere toepassing van de cultuurparagraaf niet tot bevredigende resultaten leiden, gezamenlijk een voorstel van tekstwijziging voorbereiden met het oog op de eerstkomende verdragswijziging en dat voorstel gezamenlijk verdedigen op het Europese forum;

3. een gezamenlijk standpunt innemen en een gezamenlijke strategie afspreken opdat in de aangekondigde Europese Grondwet culturele grondrechten worden opgenomen die recht doen aan de bestaande autonomie, verscheidenheid en eigenheid van de talen en culturen in de lidstaten;

4. bij de onderhandelingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) elk voorstel m.b.t. cultuurgoederen met extra aandacht volgen om te vermijden dat cultuurgoederen op dezelfde manier worden behandeld als gewone commerciële goederen en dat daardoor het belang van culturele verscheidenheid wordt genegeerd. Van belang is dat cultuur in het GATT-verdrag volledig als “uitzondering” wordt beschouwd (artikel XX: “general exceptions”) en dat in het kader van het “Agreement on subsidies and countervailing measures” expliciet de mogelijkheid wordt opgenomen om ondersteunende maatregelen te nemen m.b.t. cultuurgoederen.
De commissie is graag bereid bij de voorbereiding van teksten een bijdrage te leveren. De Commissie Cultureel Verdrag baseerde zich bij het opstellen van haar advies o.m. op een onderzoek naar de reikwijdte van de Europese cultuurparagraaf (art. 151 van het Verdrag van Amsterdam) en naar de praktische bruikbaarheid ervan door Nederland en Vlaanderen als instrument voor het beschermen en stimuleren van de eigen cultuur.

Conclusies van het onderzoek
Het onderzoek, dat in opdracht van de commissie werd uitgevoerd door drs. Jantien Hadders i.s.m. het Comité Buitenlands Cultureel Beleid, trekt
o.m. de volgende conclusies:
1. Hoewel – na de wijziging door het Verdrag van Amsterdam – het eerbiedigen en bevorderen van culturele verscheidenheid (in lid 4) uitdrukkelijk genoemd wordt, is ook dat deel van artikel 151 EG vrijblijvend van aard. Hoe en waartoe er met culturele aspecten rekening moet worden gehouden, wordt niet aangegeven. Evenmin wordt er een redeneerrichting of een te verwezenlijken resultaat voorgeschreven.

2. Artikel 87, lid 3 EG betreft een uitzonderingsclausule voor cultuur.
Het maakt steunmaatregelen – die in wezen in strijd zijn met de vrije markt en de mededingingswetgeving – mogelijk, mits het ‘gemeenschappelijk belang’ niet wordt geschaad. Uiteindelijk blijven economische waarden prevaleren boven culturele. Uit jurisprudentie blijkt niet dat artikel 151 EG bijdraagt tot een
sterkere waardetoekenning aan cultuur. In afwegingen waarin culturele aspecten een rol spelen – zoals in afwegingen op basis van artikel 87, lid 3 EG – wordt artikel 151 EG hoogstens sporadisch genoemd om de afweging ten gunste van cultuur of culturele aspecten te laten uitvallen. Artikel 151 EG heeft binnen interpretaties van de Europese regelgeving geen expliciete sturende rol.

3. De grenzen van de mogelijkheden die de Europese Unie heeft voor het voeren van cultuurbeleid worden voor een belangrijk deel bepaald door het subsidiariteitsbeginsel. In de praktijk betekent dit, dat het gemeenschappelijke cultuurbeleid vooral inhoud krijgt door maatregelen ten behoeve van projecten met een ‘Europees karakter’, of door projecten waarin wordt samengewerkt door ten minste drie landen. Het actieve Europese cultuurbeleid geeft
derhalve weinig invulling aan de eerbiediging en bescherming van culturele verscheidenheid. Hoewel artikel 151 EG beschouwd wordt en door de Europese Commissie gepresenteerd wordt als richtinggevend voor de Europese culturele programma’s, is de strekking van het artikel -met name lid 4 – nauwelijks terug te vinden in de uitvoering van deze programma’s.

4. De grenzen van mogelijkheden die lidstaten hebben om maatregelen uit te voeren ten behoeve van de eigen cultuur, worden vooral bepaald door het discriminatieverbod en de regels met betrekking tot de gemeenschappelijke markt. Lidstaten hebben de vrijheid eigen maatregelen door te voeren ter
bescherming en stimulering van hun cultuur of culturen, zolang ze niet strijdig zijn met deze Europese regels of leiden tot discriminatie op grond van nationaliteit of herkomst. Omdat de Europese cultuurprogramma’s vooral gericht zijn op Europese of samenwerkingsprojecten, is het slechts zelden mogelijk als lidstaat of in bilateraal samenwerkingsverband deel te nemen aan die programma’s. Het actief ernaar streven dat culturele verscheidenheid geëerbiedigd en bevorderd wordt, moet dus meer van de lidstaten zelf komen, dan van het gemeenschappelijke cultuurbeleid van de Europese Unie.

De auteur ging ook na in hoeverre artikel 151 EG speelt in de discussie over de publieke omroep. Voor de publieke omroep is het Protocol met betrekking tot de media, dat aan het Verdrag van Amsterdam is toegevoegd, belangrijker dan artikel 151 EG. De cultuurparagraaf wordt in de discussies over de publieke omroep niet aangezien als een belangrijk middel om meer ruimte voor de publieke omroep af te dwingen, al zijn pluriformiteit en culturele verscheidenheid
belangrijke elementen om de positie van de publieke omroep te verdedigen.

Gevolg
Op 27 maart 2002 liet staatssecretaris Benschop weten dat het document word doorgeleid naar de Europese Conventie. Op 26 juni 2002 antwoordde staatssecretaris Van der Ploeg:
” Het onderzoek De Europese Cultuurparagraaf, Een evaluatie vanuit Nederlands-Vlaams perspectief van drs. J. Hadders en het Comité Buitenlands Cultuur Beleid (januari 2002) en uw advies hierover heb ik in goede orde ontvangen. Zoals u al van mijn collega Benschop van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken heeft vernomen, is het advies doorgeleid naar de Conventie. Het is een interessant onderzoek en het draagt bij aan inzichtelijkheid in en
verbetering van de werking van art. 151 EG. Graag zeg ik u hiervoor dank.”

CVN bleef aandacht besteden aan het thema “omroep en cultuur”, o.m. in het advies “Samenwerking openbare omroepen Nederland-Vlaanderen” van 15 december 2005. Op 24 november 2006 organiseerde CVN in Brussel een themadag over “Cultuurkanalen in Nederland en Vlaanderen”. In februari 2006 legde Jantien Hadders de laatste hand aan een onderzoek naar “Culturele netwerken in Europa”, dat zij in opdracht van CVN uitvoerde. Op 10 april 2006 stuurde CVN het rapport op aan de bevoegde ministers. Mede op initiatief van de Nederlandse Taalunie kwam enkele jaren geleden een netwerk tot stand van internationale organisaties die zich met taal bezighouden: EFNIL, de Europese Federatie van Nationale Taalinstellingen. CVN vroeg zich af of een dergelijk netwerk ook bestaat of wenselijk is voor cultuur. CVN had daarbij een bijzondere belangstelling voor netwerken die de culturele verscheidenheid behartigen en voor organisaties die een grensoverschrijdend (taal- en) cultuurgebied zoals het Nederlands-Vlaamse vertegenwoordigen. De inventaris van transnationale, nationale en Europese culturele organisaties leert dat het aantal culturele netwerken na het sluiten van het Verdrag van Maastricht aanzienlijk is toegenomen, maar dat weinig of geen van die organisaties beantwoorden aan het profiel dat CVN voor ogen had.

CVN besluit dat CICEB (Consociatio Institutorum Culturalium Europaeorum inter Belgas) en het Vlaams-Nederlands Huis deBuren wellicht een rol kunnen spelen bij het tot stand komen van een Europees Cultureel Netwerk.

Download hier het gehele advies.

Bronnen

Geschreven door

Chris Deforche

Neem contact op met Chris Deforche voor meer informatie over dit bericht